De knobbelzwaan                    Cygnus olor, 145-160 cm

Sinds eind april zit er een paartje zwanen op een nest in de wei achter de schooltuin te Tinte. Elke dinsdag wordt er in de schooltuin gewerkt en wordt er door de kinderen gekeken of er al jonge zwaantjes zijn. Maar tot nu toe is er helaas niets te bespeuren.
Dit majestueuze en grootste lid van de familie der eenden ziet eruit als een grote witte gans met een lange hals, die tijdens het zwemmen in een sierlijke S-vorm gehouden wordt. Deze hals heeft maar liefst 26 wervels. De meeste van alle vogels! Een mens en een giraf hebben er slechts 7. Kan je nagaan!
Knobbelzwaan
Knobbelzwaan
Verder heeft deze prachtige zwemvogel vleugels met een spanwijdte van wel 2.30 meter en een zwarte knobbel boven de oranje snavel en een zwart oog. Aan deze knobbel dankt hij zijn naam. Ondanks hun grote gewicht (10-13 kg) kunnen ze wel vliegen. Ze hebben echter moeite met opstijgen. Ze rennen eerst met hun grote zwarte flapvoeten over het water om snelheid te maken. Met de grote vleugels wordt ondertussen snel gewapperd totdat ze eindelijk de lucht ingaan. Ook het landen gaat ze moeilijk af. Tijdens het vliegen wordt de hals gestrekt. Hieraan en aan het zingende geluid van de vleugels tijdens het vliegen zijn ze goed te herkennen. Echt goede vliegers zijn het echter niet, want ze kunnen niet zwenken en vliegen daardoor nogal eens tegen een bovengrondse elektriciteits- of telefoonleiding aan. Helaas voor de zwaan heeft dit meestal de dood tot gevolg. De vaste partner gaat na verloop van tijd wel weer op zoek naar een nieuw mannetje of vrouwtje.
De zwaan is van oorsprong niet wild, maar werd in de Oudheid gehouden
vanwege zijn sierlijkheid, dons, eieren en lekker vlees. In de Middeleeuwen was het houden van deze sierwatervogels een voorrecht, het zgn. “zwanenrecht”, van graven en edelen. In Engeland waren in die tijd zelfs alle zwanen van de vorst. Toen het dons niets meer waard was, zijn heel veel zwanen losgelaten en verwilderd. En zo zijn wij aan onze knobbelzwanen gekomen.
Jonge vrouwtjes zijn met 3 jaar geslachtsrijp en de mannetjes met 4 jaar. Ze zoeken dan een partner voor het leven en een geschikt territorium. Na de balts wordt er in maart/april door het vrouwtje van riet e.d. een groot nest op de grond gemaakt dat meestal in de buurt van water ligt. Het mannetje zorgt voor het bouwmateriaal. Als de 5-8 ovale eieren (11 cm) gelegd zijn, gaat het vrouwtje hier 38 dagen op zitten broeden. Het mannetje verdedigt het nest en de omgeving heel fel en lost het vrouwtje af als zij voedsel gaat zoeken. De uitgekomen jongen zwemmen al na 1 dag en eten de waterplanten, die beide ouders voor ze op vissen.

Ze zijn ook vaak verschillend van kleur. Er zijn nl. 2 soorten knobbelzwanen in Nederland. Ze zien er identiek uit, maar wij hebben de tamme en sinds de Tweede Wereldoorlog ook de wilde soort hier. Gaan die twee een verbinding met elkaar aan dan krijg je via de tamme vorm witte en via de wilde vorm grijsbruine jongen. Na 4-5 maanden kunnen de jongen al vliegen maar ze blijven toch liever in het water. Daar voelen ze zich het veiligst en kunnen ze zich ook het beste bewegen. Ze komen wel aan land om gras te eten, maar hun lopen is meer een moeilijk waggelen. Verder eten ze nog steentjes en aarde voor een goede spijsvertering, en soms zelfs kikkertjes, kleine visjes en insecten. Na een jaar worden de kleintjes door pa en ma weggejaagd en blijven bij elkaar tot ze geslachtsrijp zijn en een eigen partner en territorium gevonden hebben.
Echt veel vijanden hebben ze niet. De mens, bovengrondse leidingen en de verloren loodjes van vissers zijn wel hun grootste vijand. Kleine jonge dieren willen nog wel eens gepakt worden door een rat of snoek.
Ze zijn familie van de kleine (kleiner, zwarte snavel met gele basis) en de wilde zwaan (even groot, gele snavel met zwarte top) zwaan, die alleen ’s winters hier zijn. En de laatste jaren hebben we ook de (ontsnapte) zwarte zwaan in Nederland.
 
Verder kan de knobbelzwaan wel 40-50 jaar oud worden en dus voor veel nageslacht zorgen. Na het broedseizoen volgt de rui. Ze verliezen dan hun zogenaamde. “vliegveren” en kunnen een tijdje niet vliegen. Ze verblijven in die tijd met elkaar (voor de veiligheid) in rustig open water. Na de rui trekken ze massaal weer de polder en de parken in. En dit zorgt de laatste tijd voor problemen. Door overmatige begrazing van weilanden (ze eten ± 4 kilo voedsel per dag), grote agressie tegen mens en dier in de broedtijd (met een klap van de vleugel zijn ze in staat een arm te breken!) en de hoeveelheid uitwerpselen op de weilanden (waar een zwaan gepoept heeft lust een koe het gras niet meer en geef hem eens ongelijk!) is men niet zo blij meer met de in aantal toenemende zwanen. Daarom worden tegenwoordig de eieren, op één na, uit het nest gehaald door een daartoe bevoegde persoon om zo het aantal dieren in de hand te houden.
Gelukkig vonden de jagers het afschieten van deze sierlijke zwemvogels geen optie. Dus voor deze ene keer “Leve de jagers”, ook namens de zwanen.

Gerda Hos

PS. De zwaan is inmiddels van het nest en er zijn helaas geen jongen bij.

Klik hier voor informatie over de knobbelzwaan op waarneming.nl

Deel deze pagina