De labyrintspin (Agelena labyrinthica, Clerck 1757) is een heel bekende soort uit de familie van de trechterspinnen (Agelenidae). De labyrintspin ontleent zijn naam aan de karakteristieke vorm van zijn trechterweb.
Over de gehele wereld zijn er 500 soorten trechterspinnen; in Europa zijn dat er ongeveer 150. Binnen Nederland is de verspreiding nog onvolledig bekend.
Een gebrekkig beeld van verspreiding komt vooral voor bij algemene soorten, omdat de meeste mensen daaraan geen aandacht besteden. Het is de bedoeling van het project De Spin van het Jaar ook voor een algemene soort aandacht te vragen en er meer gegevens over te verzamelen.
Waarnemingen en bijzonderheden van deze labyrintspin kan men melden bij
European Invertebrate Survey-Nederland (EIS-Nederland) in Leiden.

Het web van de labyrintspin bestaat uit een horizontaal geweven mat die op één punt in een omlaag lopende trechter overgaat. Het web verdwijnt als een lange tunnel in de vegetatie, als een soort labyrint. Het kan dienen als schuilplaats, maar ook als vluchtroute. Het web wordt bovenop de vegetatie gebouwd, bij uitzondering ook in dichte struiken. Jonge dieren bouwen het web op de grond en de trechter loopt dan uit in de humus- of bladstrooisellaag of in het mos. Wanneer een insect op het web belandt, schiet de spin vanuit de trechterbuis tevoorschijn, grijpt de prooi en sleept hem mee de trechter in.
De spin reageert direct en is zeer snel.
Labyrintspin (Agelena labyrinthica, Clerck 1757

In de paartijd zoekt het mannetje, net als bij alle spinnen, het web van het wijfje op. Het is dan midden juli en het mannetje trommelt met zijn pedipalpen (tasters) op het web als signaal dat hij geen prooi is maar een partner. Als het wijfje tot paren bereid is, blijft zij rustig in de trechter, waar ook de paring plaatsvindt. Na ongeveer een maand produceert zij een grote witte eicocon, die 50-130 eieren kan bevatten. Het wijfje hangt de eicocon aan de rand van het web op en omgeeft het met extra spinseldraden, waarin stukjes blad worden opgenomen ter camouflage. De jonge spinnetjes komen nog hetzelfde jaar uit en overwinteren in de eicocon, met als enig voedsel de dooier uit het ei waaruit ze zijn gekomen. In het volgende voorjaar verlaten zij de eicocon. Volwassen labyrintspinnen zijn in juli en augustus te vinden.
De meeste soorten uit deze familie zijn flink groot, tot wel anderhalve centimeter lichaamslengte, met de lange poten meegerekend zelfs nog flink groter.
De spinnenfamilie is herkenbaar aan de staartjes aan het achterlijf. Dit zijn de lange achterste spintepels die voorbij de achterlijfspunt uitsteken. De spin is bruin van kleur met op het kopborststuk een paar lichtere lengtestrepen en op het achterlijf een lengterij van lichtere V-vormige figuren, die samen een band vormen over de gehele lengte van het achterlijf. Een niet gemakkelijk zichtbaar kenmerk, maar biologisch belangrijk, is een rijtje zintuigharen op het laatste lid van het voorste potenpaar. Die haren spelen een belangrijke rol bij het waarnemen en lokaliseren van een prooi.
De soort komt voor op kruiden en lage struiken op zonnige en warmere open plekken, zoals heideterreinen, grasvelden en wegbermen. Hij komt in vrijwel heel Europa voor en is meestal algemeen op de geschikte plaatsen. In Nederland komt hij algemeen voor op de hoge zandgronden in het oosten en zuiden en daarnaast is hij ook algemeen in de duinen. Er zijn vindplaatsen in Overijssel, Flevoland en Utrecht gepubliceerd. In de collectie van NCB Naturalis bevinden zich een aantal exemplaren uit Overijssel.
Van algemene soorten spinnen zijn de gegevens verrassend onvolledig, omdat de meeste mensen op zoek zijn naar bijzondere soorten. Informatie over verspreiding, maar ook levenswijze, biologie, biotoopvoorkeur, jaarcyclus, predatoren en parasieten van de labyrintspin kan gemeld worden bij EIS Nederland, www.naturalis.nl/eis ,contactpersoon is Peter van Helsdingen, peter.vanhelsdingen@ncbnaturalis.nl

Reageren?: info@voorne.knnv.nl

Deel deze pagina