jeugdherberg Langdon Beck
Ons onderkomen voor de week, de jeugdherberg bij Langdon Beck in het dal van de Tees.
Een jeugdherberg met veel aandacht voor het milieubewust maken van de bezoekers.

Het gebied dat we bezocht hebben is 7400 ha groot en maakt deel uit van de North Pennines, dat 2000 km2 beslaat. De Pennines bereiken met Cross Fell een hoogte van 893 meter. Vijwel alle toppen zijn bedekt met een veenlaag. Enkele zijn vlak op de top (Cotherstone Moor) en zijn in feite één groot spreiveen (blanket bog). Wij verwachtten veel nat veen, maar ook hier had de droogte van de afgelopen maanden toegeslagen.
Geologisch gezien is dit deel van de Pennines nogal bijzonder. In het Perm heeft een vulkanische uitbarsting plaatsgevonden die echter niet tot de oppervlakte gekomen is. Hierdoor zijn bijzondere lagen ontstaan, met als resultaat enkele rijke vindplaatsen van lood en bariet. Door de hitte van de lava zijn delen van de aanwezige harde sedimetlagen uit het Carboon verhit en sterk gekristalliseerd (sugar limestone, zie foto rechts). Het hele gebied is bijzonder door de afwisseling van verschillende sedimentlagen zoals limestone, shale en sandstone. De afgekoelde lava vormde daarna het Whin Sill een kwarts doloriet dat nauwelijks door water wordt aangetast, zoals we zullen zien op onze tochten. In de laatste IJstijd werden de oorspronkelijke lagen bedekt met een laag keileem van de gletschers. Op een aantal plaatsen werd deze keileemlaag doorbroken door limestone en Whin Sill. Op het doorlatende limestone onstonden graslanden, terwijl op de met het ondoorlatende keileem bedekte delen grote velden hoogveen ontstonden (blanket bogs).

Cow GreenDag 1
De start van de week op de parkeerplaats van het Cow Green Reservoir aan de rand van Widdybank Fell in het Moor House reservaat. Van hieruit hebben we een tocht gemaakt naar de Couldron Snout, de waterval bij de stuw en vervolgens langs de Falcon Clints terug naar de jeugdherberg.







In dit deel van Widdybank Fell was het veen plaatselijk nog behoorlijk nat, met in de lage delen veel veenmos. Hier vonden we onze eerste exemplaren van het uitgebloeide Vetblad (Pinguicula vulgaris), je kunt uiteindelijk niet alles hebben. Dat er een dikke veenlaag is, werd ons duidelijk door de verzakkingen als gevolg van vorst-erosie.
Cow Green, veenverzakking

Mijnbouw in Upper Teesdale
In de 18de en 19de eeuw is er veel mijnbouw geweest. Met name lood en in wat minder mate bariet is gedolven. Veel van de ingangen naar de oude loodmijnen zijn nu onder de oppervlakte van het reservoir verdwenen. Toch zijn er nog een aantal toegangen en verzakkingen van oude mijngangen te vinden, wat noopt het gebied voorzichtig te betreden. Een deel van de oude mijningangen is afgedekt met platen of dichtgegooid. Enkele diepe verzakkingen zijn omheind, maar zoals rechtsonder is te zien niet alle hebben die beveiliging.
Over het winnen van mineralen in dit gebied is veel geschreven, zie hiervoor de artikelen aan het einde van deze bladzijde.

mijnbouwmijnnbouw2
echte_guldenroedePrimula_farinosa
Enkele voorbeelden van de bijzondere begroeiing:
Solidago virgaurea, Primula farinosa, Chara contraria.
Ook vonden we een Rivierdonderpad in een van de waterloopjes.

CowGreen waterfallHet Cow Green Reservoir wordt afgesloten door een dam. Het reservoir is ooit aangelegd ten behoeve van de industrie die men in Teesdale had gepland, maar er nooit is gekomen. Het resultaat is een fraaie waterval en een mooie rivier die langs de Falcon Clints slingert.
























Tees bij Cow Green



















Hier loopt de Tees langs de kliffen van Falcon Clints. Door het stricte op een ruime populatie van de Red Grouse gerichte beheer, zijn er in dit gebied nauwelijks roofvogels. Met enige zekerheid hebben we één Slechtvalk gezien en een enkele Torenvalk. Grotere roofvogels worden afgeschoten als zij een bedreiging voor de jongen van de Red Grouse vormen. De jacht op de Red Grouse is een te grote inkomstenbron voor de landeigenaar en de jachtopzieners om de natuur zijn gang te laten gaan.

Tees, agrarische natuur

Agrarische natuur
Je zou kunnen zeggen dat dit grote natuurreservaat eigenlijk een agrarische onderneming is, gericht op het behoud van de Red Grouse voor de jacht. De bedragen die met de jacht gemoeid gaan lopen zeker in de honderdduizenden ponden per jachtseizoen. Er wordt gesteefd naar dichtheden van de Red Grouse van ca. 200 paar per vierkante kilometer. Hiervan mag ca. 70% afgeschoten worden, waardoor de populatie in stand blijft.

Of je daar vanuit natuurbeschermings-oogpunt blij mee moet zijn??


Dag 2   
Op dag 2 gingen we nog even terug naar de velden van Widdybank Fell die we gisteren niet meer hebben gehaald door de hitte van de namiddag (!!!) en het geklauter op de rotsen bij Falcon Clints.
Moorhouse
De schraallanden van Widdybank Fell, waar we naarstig hebben gezocht naar Bokjessteenbreek, maar niets gevonden hebben.

Kruikmos
Ondanks speurwerk in de Heukels en wat we verder bij ons hebben, bleef het een vraag. Welk mos is dit?
Na determinatie thuis, blijkt het Kruikmos (Splachnum ampullaceum) te zijn

In de middag hebben we een bezoek gebracht aan het bezoekerscentrum in Bowlees op weg naar de watervallen in de Tees.
Het bezoekerscentrum is gehuisvest in een voormalige kerk en geeft een goede indruk van de geologie van het gebied met de bijbehorende mijnbouwactiviteiten.
Bij het bezoekerscentrum is een waterval waar je achter langs kunt lopen zonder nat te worden. Dat moest natuurlijk even uitgeprobeerd worden door Tjeerd en Jelle.
waterval Bowlees
Low force
De Low Force, net als de iets verderop gelegen High Force een toeristische trekpleister.
hangbrugDe hangbrug over de Tees bij de Low Force, voorzien van de waarschuwing om niet meer dan een persoon tegelijk de brug te gebruiken. Deze hangbrug uit 1830 heeft de oude (uit 1741) vervangen. Die was onder het gewicht van meerdere personen bezweken.
De huidige brug is een smalle hangbrug opgehangen aan kabels en kettingen.

 

 

 

 

 





High-Force
De High Force, weliswaar niet de hoogste waterval van Engeland, maar met een valhoogte van 21 meter toch wel indrukwekkend door de soms grote hoeveelheden water die afstromen.
In dat geval stroomt het water over de rotspartij rechtsboven!
Het woord Force is afgeleid van het Noorse woord Fors, wat waterval betekent. De Vikingen hebben het woord in Engeland geïntroduceerd.

Dag 3
Op de derde dag was een bezoek aan Cross Fell en Great Dunn Fell nabij Dufton gepland. Doorrijden in die afgelegen streken met veel schapen lukt niet altijd, maar geeft wel aardige plaatjes.
schapen
Cross FellHet zou onze hoogste klim worden. Maar doordat er op de top een
radarstation is gevestigd, was het gemakkelijk wandelen over de
aangelegde weg.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


slanke duingentiaanOok hier hebben we naarstig gezocht naar Bokjessteenbreek, echter weer zonder resultaat.
Wel viel ons een fraai exemplaar van de Slanke duingentiaan ten deel.
Later die week zouden we nog meer exemplaren aantreffen.

Ook vonden we twee Bastaardwederiksooten, waaronder Epilobium brunnessens.

 

 

 

 

 



Dag 4
uitzicht Cronkley fellDeze dag zouden we Cronkley Fells beklimmen. De heuvel waarop we goed zicht hadden tijdens het ontbijt.
De gedachte was dat er aan de voet van de heuvel een aantal meertjes zouden zijn.
Maar helaas de meertjes stonden droog door de tot nu toe droge zomer. Wel was aan de begroeiing te zien dat er regelmatig water stond. Alleen een bron gaf nu nog water en bevloeide een stukje land.




Cronkley Fell topBovenop Cronkley Fells was het wat beter. Hier waren nog enkele waterloopjes te vinden met onder andere Potamageton polygonifolius.












Boven op de Fells kwam het Sugar Limestone aan de oppervlakte. Door erosie en betreding door schapen ( en mensen) dreigt deze bijzondere steensoort aangetast te worden. Daarom heeft men een aantal delen omheind. In de beek kwamen we nog een mosje tegen dat we niet konden benoemen.
In enkele lager gelegen delen zijn een aantal opnamen gemaakt. De resultaten hiervan worden opgenomen in de soortenlijst.















Dag 5
Balderhead moorDe laatste dag hebben we een bezoek gebracht aan het westelijke deel van het gebied, het Cotherstone Moor bij het Balderhead Reservoir. Wij hadden de hoop hier een mooi en nat spreiveen te vinden. Maar helaas, ook hier was het droge weer tot op zekere hoogte een spelbreker. Bij wat nader zoeken tussen de heide kwamen we wel veel soorten veenmos tegen plus Kleine veenbes en Lavendelheide. Hiermee was het bezoek toch interessant. Opvallend was dat in een van de afwaterende loopjes de Ph 2,3 bedroeg. In ons land vind je dat o.a. in het Bargerveen. Maar daar groeit er niets in dat water, hier was de plantengroei volledig aangepast.



Hannah's Meadow
Op de terugweg zijn we nog even gestopt bij Hannah's Meadow, een beroemd en beschermd monument, het restant van de oude manier van veehouderij.
Aan de bloemen( en bloemresten) was te zien dat het in het voorjaar een bloemrijke weide was met heel veel Kleine ratelaar, Knoopkruid, en Blauwe knoop.

avondwerk TeesdaleDe jeugdherberg
Ons verblijf in de jeugdherberg was uitermate goed verzorgd.
Wij konden genieten van een compleet verzorgd verblijf, waardoor er in de avonden tijd overbleef voor nadere determinatie van soorten waarvan we in het veld niet zeker waren.

Mede dankzij het voorteffelijke weer was het een genot Teesdale te verkennen. De druppels regen die gevallen zijn, mochten geen naam hebben.




Vogelwaarnemingen

Zoals eerder is opgemerkt, hebben we weinig roofvogels gezien. Het Schots Sneeuwhoen (Red Grouse) hebben we op vrijwel alle tochten gezien. Voor het Korhoen (Black Grouse) zijn we tegen de schemering naar enkele velden gegaan die ons door kenners zijn aangewezen. Daar hebben we ook de Velduilen op jacht gezien. Rondom de jeugdherberg zijn geregeld 's nachts Bosuilen gehoord. Door de vele beken hebben de de Waterspreeuw (Dipper) regelmatig gezien.
Hieronder een opsomming van de vogelwaarnemingen.

Goudplevier (Pluvialis apricaria) Zilvermeeuw (Larus argentatus)
Waterspreeuw (Cinclus cinclus) Velduil (Asio flammeus)
Wulp (Numenius arquatica) Bosuil (Strix aluco)
Schots sneeuwhoen (Lagopus lagopus scoticus) Zwarte kraai (Corvus corone)
Korhoen (Lyrurus tetrix) Kneu (Carduelis cannabina)
Winterkoning (Troglodytes troglodytes) Kokmeeuw (Larus ridibundus)
Torenvalk (Falco tinnunculus) Putter (Carduelis carduelis)
Slechtvalk (Falco peregrinus) Kievit (Vanellus vanellus)
Witgatje (Tringa ochropus) Graspieper (Anthus pratensis)
Watersnip ( Gallingago gallinago) Merel (Turdus merula)
Boerenzwaluw (Hirundo rustica) Koperwiek ( Turdus musicus)
Huiszwaluw( Delichon urbica) Pimpelmees (Parus caeruleus)
Roodborst (Erithacus rubecula) Zwarte mees (Parus alter)
Spreeuw (Sturnus vulgaris) Koolmees (Parus major)
Grote bonte specht (Dendrocopus major)  

openluchtmijnbouw Teesdale
Mijnbouw in Upper Teesdale

Anon. The Lead Mining Heritage of the North Pennines, 1987).
Bain, R.D. Durham's Mining Industry in 1896 - A List of Metalliferous Mines
Brown, P.J. Jigger House Excavations at Park Level Mill Killhope (Durham: Unpub. Report to Durham County Council, 1982).
Burgess, I.C. and Holliday, D.W. The Geology of the Country around Brough-Under-Stainmore (HMSO, Geological Survey Memoir, 1979).
Chambers, B. (Ed.) Mines and Minerals of the North Pennines (Friends of Killhope, 1992)..
Dunham, K.C. Geology of the North Pennine Orefield. Vol.I, Tyne to Stainmore. 2nd Edn (London: HMSO, 1990)..
Fairbairn, R.A. The Mines of Alston Moor (Keighley: Northern Mine Research Society, British Mining No.47, 1993)
Fairbairn, R.A. British Mining No. 77 – The Mines of Upper Teesdale.
Johnson and Dunham, (1963) A monograph of the Gelogy of Moorhouse, HMSO, London
.North Pennines Heritage Trust North Pennines Lead Mining Heritage (Unpub. Report of Seminar, 1988).
Sopwith, T. Observations addressed to the Miners and Other Workmen employed in Mr Beaumont's Lead Mines in East and West Allendale and Weardale (London: 1846).

Plantenwaarnemingen
Hogere planten, kranswieren en een mos
De plantenwaarnemingen zijn samengevat in drie werkbladen van een spreadsheet:
1. waargenomen vaatplanten planten en een goed herkenbaar mos: Fontinalis antipyretica.
2. de lokaties van de waargenomen planten en het mos.
3. kranswierwaarnemingen.

De kolommen in de plantentabel, dat zijn de locaties, zijn toegelicht in het werkblad met de nummers en locaties. Meestal is voor het voorkomen een 'x' gebruikt. Andere letters betekenen dat binnen een excursie deellijsten zijn gemaakt. Zie de toelichting van de betreffende kolom.
Voor zover de soorten in Nederland voorkomen volgt de tabel de namen in Van der Meijden, R. (2003). Heukels' Flora van Nederland. 23e druk, Wolters-Noordhoff, Groningen. Voor de soorten die niet in Nederland voorkomen staan in de tabel de namen zoals in Stace, Clive (1997). New Flora of the British Isles. 2e editie. Cambridge University Press; Cambridge.

Van de kranswieren zijn de gegevens van de herbariumetiketten in het derde werkblad gezet (in het engels). Het materiaal is ingelegd in het Nationaal Herbarium - Leiden branch. Aan de gegevens zijn drie vondsten in de North York Moors toegevoegd. De naamgeving volgt die van de Nederlandse standaardlijst 2006.
Planten en ecologie
Bradshaw, M, The Natural History of Teesdale, Durham Wildlife Trust, 2003
Clapham, A.R. (1978). Upper Te
esdale: the area and its natural history. Collins, London.
Coulson, J.C. and Butterfield, J.E.L. (1985). The Invertebrate Communities of Peat and Upland Grasslands in the North of England and Some Conservation Implications. Biol. Conserv. 34: 197-225.
Conway, V.M. (1955). The Moor House National Nature Reserve, Westmorland. Handbook, Society for the Promotion of Nature Reserves.
Coulson, J.C. and Butterfield, J.E.L. (1985). The invertebrate communities of peat and upland grasslands in the North of England and some conservation implications. Biol. Conserv. 34: 197-225.
Eddy, A., D. Welch, M. Rawes (1968). The vegetation of the moor house national nature reserve in the northern Pennines, England. Plant Ecology Volume 16, Numbers 5-6. Springer Netherlands.
Farrer, R.J. Alpines and Bog Plants, 1908
Hart, K, Report of the 2005 Upper Teesdale 21st to 22nd June Main Meeting
Heal, O.W. (1971). A brief review of progress in the studies at Moor House (UK). In Wielgolaski, F.E. and Rosswall, T. (eds.) Proceedings, IV International Meeting on Biological Productivity of the Tundra, Leningrad, 1971: 295-304. Stockholm.
Heal, O.W., Jones, H.E. and Whittaker, J.B. (1975). Structure and functions of tundra ecosystems Moorhouse. U.K. Ecol. Bull. Stockholm 20: 295-320.
Heal, O.W. and Perkins, D.F. (1976).I.B.P. studies on montane grasslands and moorlands. Phil.Trans. Roy. Soc. London.
Heal, O.W. and Perkins, D.F. (1978).Production Ecology of British Moors and Montane Grasslands. Springer
Verlag, Berlin. Pp. 3-16. .
Pigott, C.D. (1956). The vegetation of Upper Teesdale in the North Pennines. J. Ecol. 44: 545-586.
Ratcliffe, D.A. (1978). Plant Communities. In: Upper Teesdale: the area and its natural history. Collins, London. Pp. 64-87.
Rawes, M. (1981). Further results of excluding sheep from high level grasslands in the North Pennines. J.
Ecol. 1: 281-300.
Rawes, M. and Welch, D. (1969). Upland productivity of vegetation and sheep at Moorhouse National Nature
Reserve. Oikos supplementum 11: 7-12.
Rawes, M. and Hobbs, R. (1979). Management of semi-natural blanket bog in the Northern Pennines. J. Ecol. 42: 187-210.
Rodwell, J.S., British Plant Communities, Cambridge University Press, 1998, 405 pp
Welch, D. and Rawes, M. (1964). The early effects of excluding sheep from high level grasslands in the North Pennines. J. Appl. Ecol. 1: 281-300.
Welch, D. and Rawes, M. (1969). The vegetation of the Moor House National Nature Reserve in the Northern Pennines, England. Vegetation 16: 239-284.

Deel deze pagina