De Bergvennen, excursieverslag

Loekie van Tweel-Groot

bergvennen


Zaterdag 26 augustus 2001 vond de excursie van de Moeraswerkgroep naar de Bergvennen plaats. Op zaterdagochtend vertrokken we per trein naar Oldenzaal en namen de racefietsen mee. Na een mooie fietstocht via Denekamp waren we mooi op tijd in de Bergvennen. De onweersbuien kwamen pas de volgende nacht, vandaag was het schitterend weer: zon, blauwe lucht en heerlijk warm. We waren uiteindelijk met 9 mensen: Geert Kierkels, Marian Schelle, Janny Resoort, Rein Leguijt, Hella Pomarius, Kai Waterreus, Melchior en ik. Een mooie groep om de schoonheid van de Bergvennen te ontdekken. Geert en Marian waren hier in 1999 al eens geweest. Ik kwam ze toen tegen terwijl ik bezig was met veldwerk voor Landschap Overijssel. Al die moeraswerkgroepers buiten de paden, het is wat... Maar voor vandaag hadden we een vergunning en konden dus rustig overal doorheen struinen.


Het complex

Het reservaat de Bergvennen bestaat eigenlijk uit 2 aparte terreindelen. Ten oosten van Lattrop liggen de Bergvennen zelf. Iets noordelijk van de Bergvennen ligt het Breklenkamperveld: een complex van dennenbos, wilgenstruweel en hooimaten met schraalgraslandvegetaties. Het reservaat is al bijna zo’n 60 jaar in eigendom en beheer bij Stichting Het Overijssels Landschap en wordt nu beheerd door Landschap Overijssel (ontstaan door fusie van Het Overijssels Landschap en Landschapsbeheer Overijssel).


De Bergvennen

De vennen in de Bergvennen zijn gevormd in laagtes die ontstaan zijn in de laatste ijstijden. Ter plaatse zijn vrij sterke hoogteverschillen aanwezig in het dekzand. Hierdoor liggen er middelhoge en lage humuspodzolgronden op korte afstand van elkaar. In het verleden is in de lage gedeelten op het dekzand veen ontstaan. Later is het veen voor een deel door turfwinning weer verdwenen. Aan de rand van het Eilandven zijn nog ronde kommen (schotelvormige laagten) te vinden waar het bonkige baggerveen met water werd vermengd en fijngemaakt waarna het werd gedroogd en er turven van konden worden gestoken. De kommen worden kluunplaatsen genoemd. In de Bergvennen zijn de kluunplaatsen gemaakt in het dekzand, in het Aamsveen zijn zelfs keienvloertjes aangelegd. Die zullen we komende zomer (2001) met de excursie bekijken (zie excursieprogramma).


Problematiek

De ondiepe voedselarme heidevennen (door golfslag bleven ze mooi zandig) behoefden de eerste jaren na aankoop weinig beheer. De reeks van een achttal vennen kreeg gebufferd water uit de landbouwgebieden dat via verbindingssloten van zuid naar noord werd afgevoerd door de vennen. Hierdoor ontstond een gradiënt van zacht, mesotroof water in het meest zuidelijke ven tot vrijwel zuur, voedselarm water in de noordelijke vennen. In de vijftiger jaren werd de landbouw in de omgeving echter dermate intensief dat het landbouwwater de vennen steeds meer verrijkte en er een eutrofiëringsgradiënt ontstond. Rond 1960 werd daarom de landbouw-afwateringssloot om de Bergvennen heen geleid. Hierna werden de vennen steeds meer regenwaterafhankelijk waardoor ze verzuurden (door zure regen) en nog steeds verder verrijkten door de atmosferische depositie. Om de vennen ontstond een brede pitrusgordel.


Maatregelen

Met relatief kleinschalige maatregelen (afplaggen met plagschop, windwerking verbeteren door opslag van berk en grove den te verwijderen op de heide) kon de achteruitgang van de oeverkruidvegetaties geen halt worden toegeroepen. Daarom is met behulp van EGM-subsidie (Effect Gerichte Maatregelen) een grootschalig plan uitgevoerd voor de vennenrestauratie in de Bergvennen. In de winter van 1993-1994 zijn vier vennen opgeschoond. De sliblaag is verwijderd en de oevers zijn geplagd. Tevens is aan de oever van het Rietven een 30 meter diepe put geslagen. Deze pomp mengt in de winter het venwater met grondwater. Dat gebeurt als het water in de vennen weer hoog staat en ze met elkaar in verbinding staan. Het grondwater is kalkrijk en heeft een pH van ongeveer 8. Ter vergelijking, in de zomer zakt de pH van ven 7 (het Pluzenven) tot pH 4.


Het Breklenkamperveld

Op de dekzanden van het Breklenkamperveld zijn na de laatste ijstijd leemlagen afgezet in de terreindepressies. Hierdoor zijn fraaie overgangen ontstaan van droge heide op de zandkoppen naar soortenrijke natte heide en blauwgrasland en oeverkruidgemeenschappen in de natte, lemige laagten. In de winter zorgt basenrijk grondwater (dat dan tot aan de droge heidekoppen staat) ervoor dat verzuring wordt voorkomen. Door de tegenwoordige stikstofdepositie zijn de vegetaties en soortenrijkdom hier echter ook achteruitgegaan. Ook hier zijn OBN-maatregelen (Overlevingsplan Bos en Natuur, de opvolger van de EGM-maatregelen) genomen en uitgevoerd. In de winter van 1996-1997 werden de bestaande blauwgraslanden uitgebreid met 6 ha. Hiervoor is bosopslag van berk en wilg verwijderd en werd de strooisellaag tot op het oorspronkelijke reliëf afgeplagd. Het vervolgbeheer bestaat hier uit jaarlijks maaien in september waarbij het maaisel wordt afgevoerd.


De excursie, Pluzenven

We begonnen de excursie bij het Pluzenven: het meest zure ven in de reeks. De naam Veenpluis (Eriophorum angustiofolium, in de volksmond pluzen) geeft al aan dat dit ven van oudsher het meest zuur is. Voor we bij ven 7 kwamen liepen we door de droge heide met Jeneverbes (Juniperus communis), Kraaihei (Empetrum nigrum) en Veenbies (Scirpus cespitosus ssp. germanicus). Op de geplagde hogere venoever zijn Witte en Bruine snavelbies (Rhynchosporum alba en R. fusca), Kleine zonnedauw (Drosera intermedia) en Lavendelhei (Andromeda polifolia) gevonden. En hier vonden we ook de eerste Waterlobelia’s (Lobelia dortmanna). In het ven zelf is inmiddels al weer vrij veel Knolrus (Juncus bulbosus) en Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum) te vinden.


Eilandven

Na het Pluzenven gingen we naar het Eilandven, ven 6. In dit ven stond in 1999 nog Drijvende egelskop (Sparganium angustifolium, Rode Lijst 1), maar die kon ik dit jaar niet meer terugvinden op zijn oude plekje. Wel stonden hier veel Waterlobelia’s te bloeien, met hun mooie, tere, lichtpaarse bloemen. Er waren ook meer plekken met Oeverkruid (Littorella uniflora) dan vorig jaar. Op de overgang tussen ven en droge hei is nu een mooi ontwikkelde natte heidezone aanwezig met heel veel Witte en Bruine snavelbies, Kleine zonnedauw en veel jonge en bloeiende Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe). In het water en op de lage oever was het Vensikkelmos (Drepanocladus fluitans) veel aanwezig.


Ronde Ven
Aan de oever van het Ronde ven (ven 4) hielden we een pauze. Even in de schaduw van een den een broodje eten of al het moois fotograferen. Bij dit ven komt een mooie rand met Gagel (Myrica gale) voor. In een hoek waar kwelwater uit een klein dekzandkopje stroomt is uitbundig geel bloeiende Beenbreek (Narthecium ossifragum) te vinden. Ook vonden we hier het Canadees hertshooi (Hypericum canadense) weer terug. Deze is een aantal jaren geleden aan de laarzen van Fons Eysink (beheerder van Staatsbosbeheer) meegekomen die eerst naar een gebiedje was geweest waar het Canadees hertshooi massaal voorkomt en daarna in de Bergvennen had rondgelopen. Op het massaal hier voorkomende kleine zonnedauw vond een massamoord plaats van de veel rondvliegende juffertjes. Overal lagen losse vleugels tussen de zonnedauw. De Veelstengelige waterbies (Eleocharis multicaulis) en Gewone waterbies (E.palustris ssp. palustris) geven aan dat het water hier al iets minder zuur is.


Rietven

Hierna kwamen we bij het Rietven (ven 3), het ven waarin het grondwater in de winter uitstroomt. Hier staan de grootste aantallen waterlobelia en oeverkruid te bloeien. De landvorm en de watervorm (veel dikkere en grotere bladeren met luchtkamers) van het Oeverkruid waren hier mooi naast elkaar te zien. De Waterlobelia staat bij de andere vennen steeds op de net drooggevallen oever, maar in het Rietven ook echt in het water te bloeien. Hierdoor kregen de meeste excursiedeelnemers weer mooie herinneringen aan Ierland. Tussen het oeverkruid stond het mooie rode Veenmosvuurzwammetje (Hygrocybe coccineocrenata ssp. coccineocrenata). Daarnaast vonden we nog Pilvaren (Pilularia globulifera), vrij veel Moeraswolfsklauw (Lycopodium inundatum) en in het water hier gelukkig nog wel steeds de Drijvende egelskop (S. angustifolium). Hier zijn ook de kenmerken van grotere voedselrijkdom aanwezig, Veelstengelige waterbies, Gewone waterbies en ook in het water Riet (Phragmites australis). Hierna zijn we via ven 5 (Bokjesven, hier komt heel veel Veelstengelige waterbies voor) en het Eilandven naar het Krakenven (ven 8) gelopen. Ven 1 ligt helemaal in het zuiden, met een paar mensen zijn we daar na de excursie nog geweest. Ven 2 ligt op de camping De Bergvennen en wordt ook gebruikt als zwemven. Ondanks (of dankzij?) dit gebruik staat hier nog wel Drijvende egelskop in.


Krakenven

Het Krakenven is een dichtgegroeid ven dat op de lange duur misschien wel richting hoogveenvegetatie zal gaan. In het midden is nog wat water, de randen staan vol veenmos met berkenopslag. Het hooiland eromheen is heischraal met veel Tandjesgras (Danthonia decumbens), Borstelgras (Nardus stricta), Trekrus (J. squarrosus), Tormentil (Potentilla erecta) en Klokjesgentiaan. Er staat ook een gekiemde jonge Koningsvaren (Osmunda regalis) in.


Breklenkamperveld, Grote Weide

Na het Krakenven liepen we over de hei, door het bos en over het fietspad op de grens met Duitsland naar het noorden, naar het Breklenkamperveld. Via de Grote Weide gingen we naar de uitgebreide en geplagde schraalgraslanden. Op de Grote Weide is een heischrale vegetatie te vinden met veel Borstelgras. Rondom een greppel is een aantal jaren geleden geplagd en hier is nu een natte heidevegetatie te vinden met Bruine en Witte snavelbies en tientallen vierkante meters met mooi sporulerende Moeraswolfsklauw. Op een stukje blauwgrasland groeit Dwergzegge (Carex oederi ssp. oederi), Blauwe zegge (C. panicea), Sterzegge (C. echinata), Moerasviooltje (Viola palustris), Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica), Klokjesgentiaan en Blauwe knoop (Succisa pratensis). Op de geplagde delen zijn mooie zoneringen te vinden. In de laagste delen die het langst onder water staan was de bodem heldergroen van de matten met Pilvaren. Op iets hogere delen zijn soorten te vinden als Draadgentiaan (Cicendia filiformis), Oeverkruid, Wijdbloeiende rus (J. tenageia), Stijve moerasweegbree (Echinodorus ranunculoides), Vlottende bies (Scirpus fluitans), Moerashertshooi (H. elodes), Klein warkruid (Cuscuta epithymum), Schildereprijs (Veronica scutellata), Waterpostelein (Lytrum portula), Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum), Ongelijkbladig fonteinkruid (Potamogeton gramineus), Waterpunge (Samolus valerandi), Grof goudkorrelmos (Fossombronia flaveolata) en Geel hauwmos (Phaeoceros caroliniatus). In het wilgenstruweel rondom het schraalland staan een aantal mooie Laurierwilgen (Salix pentandra). Kortom, het was smullen geblazen. Zeker toen Marian opeens een polletje met mooi bloeiende Parnassia (Parnassia palustris) vond!! Die was nog onbekend van deze plek. Het vermoeden bestaat dat met de maaimachine, die eerst het brongebied van de Mosbeek heeft gemaaid (daar is het wit van de parnassia), wat zaad is meegekomen. Maar het milieu is duidelijk wel geschikt voor deze soort. En het werd nog mooier, want de Moerassprinkhaan liet zich mooi horen en zien en plotseling kwam er nog een Oranje luzernevlinder langsvliegen! Wat een schitterende dag met mooi weer en zoveel mooie en onverwachte soorten.


Ven 1

Hierna gingen we langzaamaan weer terug richting ingang. De meeste mensen gingen weer op huis aan. Wij gingen nog even naar ven 1 om de waterlobelia die daar stond in kaart te brengen. Ven 1 was in eerste instantie buiten het herstelplan gehouden omdat er geen historische gegevens van bekend waren. Het was niet bekend of er ooit waterlobelia heeft gestaan. Bij de herstelwerkzaamheden met OBN-geld in de winter van 1997-1998 zijn de volgende maatregelen uitgevoerd: slib verwijderen van de oude venbodem, wilgen, berken en grove dennen verwijderen, plaggen van de strooisellaag, plaggen van de vergraste heide, verwijderen van de cultuurlaag van het schraalgrasland tot de originele reliëfrijke ondergrond en het plaggen van de verruigde venlaagte, met als spectaculair resultaat het bloeien van honderden waterlobelia’s in 1999! Voor de restauratie bestond ven 1 uit een regelmatig droogvallend ven, een vochtige laagte, een geëgaliseerd graslandperceeltje, vochtige heide, wilgenstruweel, droge heide en bos. De bodem en oevers van het ven waren slechts licht begroeid met veenmossen, mossen, waternavel (Hydrocotyle vulgaris) en veenwortel (Polygonum amphibium). De vochtige laagte was erg vergrast met veel Pijpestrootje (Molinia caerulea). Aan de randen kwam veel opslag van Berk voor en verder waren kruipend Struisgras (Agrostis stolonifera) en Veenpluis aanwezig. De aanwezige vochtige heide was eveneens erg vergrast met Pijpestrootje. Het grasland had een vegetatie van Gestreepte witbol (Holcus lanatus), Reukgras (Anthoxanthum odoratum), Pitrus (J. effusus), Echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi) en Kruipende boterbloem (Ranunculus repens).

In het natte eerste groeiseizoen 1998 was de venwaterstand zo hoog dat er geen kiemplanten van waterlobelia zijn gevonden. In 1999 is de waterstand zover gedaald dat de oevers van ven 1 zijn drooggevallen en de venlaagte ten zuidoosten hiervan geheel droog stond. Op de oevers van ven 1 en langs de noordelijke en oostelijke randen van de venlaagte is vanuit de door genoemde maatregelen blootgelegde zaadbank, een massale kieming van Waterlobelia opgetreden. In juli en augustus resulteerde dit in een wit waas van bloemen en een dicht tapijt van de typisch borstelige bladrozetten. Schattingen van duizenden rozetten zijn niet overdreven. Naast de waterlobelia is op de venoever van ven 1 ook Oeverkruid gekiemd, hier staan zo’n 10 planten.

Op de geplagde oevers en het afgeplagde schraalgrasland zijn de eerste planten van droge en vochtige heide ook al gekiemd: Gewone dophei, Struikhei, Trekrus, Bruine en Witte snavelbies en Draadrus. Ook Knolrus komt in dit zwak gebufferde systeem dat altijd op de grens van verzuring balanceert alweer vrij veel voor, maar Pijpestrootje laat zich nog niet veel zien.

Kortom, ondanks dat niet bekend was dat waterlobelia hier voorkwam, is het project nu al geslaagd. Spannend is het nu hoe de vegetatie zich de komende jaren gaat ontwikkelen en of de waterlobelia in deze aantallen aanwezig blijft. Een en ander is afhankelijk van de mate van buffering van het venwater, waarbij de hoop is gevestigd op het effect van oppervlakkig uittredend grondwater vanuit het aanliggende hogere dekzandcomplex. In 2000 leek het erop dat er met name in de venlaagte minder waterlobelia’s stonden te bloeien dan in 1999. Maar veel lobelia’s waren afgegeten (reeën) waardoor het ook minder kan lijken. Ik zal het voor Landschap Overijssel goed blijven volgen.

En daarna was het echt tijd om afscheid te nemen van deze parel van Overijssel om weer terug te fietsen richting Oldenzaal, door het mooie Twentse landschap. Komende zomer gaan we naar een andere parel van Twente, het Aamsveen. Dit is een hoogveengebied in Zuid-Twente bij Enschede, zie de excursieaankondiging. Ik hoop jullie allemaal weer te zien bij hopelijk weer net zo’n mooie excursie!

Deel deze pagina