Moerasweekend Drenthe 2001, met een bezoek aan het Fochteloërveen, het Leggelder Veld, de Haselüner Kuhweide en het Börkener Paradies.
Roel Douwes, Marian Schelle, Geert Kierkels en Kai Waterreus


Het Fochteloërveen

Inleiding
Het Fochteloërveen is (inclusief de randgebieden) een natuurgebied van zo’n 2800 ha. Het eigenlijke veen (Kolonieveld op oude kaarten) beslaat 1700 ha. Het is een restant van de grotendeels afgegraven Smildigervenen, die zich uitstrekten van Veenhuizen tot Hoogersmilde en van Fochteloo tot bij Assen. In totaal besloeg het oorspronkelijke hoogveen meer dan 100 km2.
Het valt te karakteriseren als een zgn.lens- of plateauhoogveen op een ondergrond van keileem. In groter landschappelijk verband vormde het een waterscheidingsgebied van waaruit verschillende beekstelsels ontsprongen, waaronder het Peizerdiep in noordelijk richting en de Tjonger en Groote diep aansluitend op het Kuinder/Lindestelsel in zuidwestelijke richting.

Geschiedenis in het kort

Vanaf ongeveer 1600 werd vanaf de Drentse kant de ontginning via de Drentsche Hoofdvaart met Amsterdams kapitaal begonnen. Het Kolonieveld (huidige kerngebied van het Fochteloërveen) bleef vooral door z’n geïsoleerde ligging gespaard. Afvoer van de turf was lastig, aangezien natuurlijke afvoerwegen ontbraken en dus een duur stelsel van wijken en kanalen moest worden aangelegd.
Ook vanaf de Friese kant werd energiek en stelselmatig ontgonnen door verschillende Compagnieën. De omgeving van het huidige Fochteloërveen kwam pas relatief laat, in de loop van de 19 de eeuw, aan snee. Een aantal factoren speelden daarbij een rol: de ligging van het veengebied op de Drents-Friese grens leidde tot allerlei conflicten tussen de provinciale overheden. Bovendien was het veenpakket maar dun (1-3 m) vergeleken met bijv. de enorme veenpakketten in zuid-oost Drenthe (vgl. Bargerveen!) en daardoor minder lucratief om af te graven. Aan de westzijde en noord-westzijde is daardoor nooit sprake geweest van grootschalige ontginning door middel van wijken. Wel is er tot 1980 sprake geweest van turfstrooiselwinning. In het hele veengebied zijn verder sporen te vinden van de boekweitcultuur die in de 19de eeuw haar hoogtepunt had. Vooral op luchtfoto’s zijn de greppelstructuren die voor oppervlakkige ontwatering werden gegraven nog goed te herkennen.

Het Fochteloërveen nu
De eerste indruk die je krijgt van het gebied is tot aan de horizon één groot verdroogd veld met heel veel Pijpenstrootje (Molinia coerulea) en hier en daar een enkele boom.
Toch is dat droge uiterlijk maar schijn, zoals blijkt wanneer je je in het veengebied waagt. Er is hard aan gewerkt om de waterstand langzaam omhoog te brengen. Door geleidelijke vernatting van het verdroogde veengebied hoopt men de veengroei weer opnieuw op gang te brengen. Het gebied is door een stelsel van dammen en stuwtjes in een aantal compartimenten verdeeld die het regenwater kunnen vasthouden. Van elk compartiment kan de waterstand apart geregeld worden. Er is gekozen voor een geleidelijke verhoging van de waterstand met enkele centimeters per jaar om grote schokeffecten te vermijden. Belangrijke populaties van o.a. gladde slang, adder en het veenhooibeestje krijgen zo de kans zich geleidelijk aan te passen aan de nieuwe situatie en uit te wijken naar drogere delen in het veen en de randzones. In een aantal jaren moeten geleidelijk aan de streefwaterstanden bereikt worden. Deze kunnen voor elk compartiment verschillen, al naar gelang de ligging in het gebied. Vanaf de hogere delen is er sprake van een geleidelijke afstroming via het systeem van stuwtjes naar de randzones van het veen.
Vanuit de nog aanwezige veenkernen hoopt men de veenmosgroei van typische hoogveensoorten weer aan de gang te brengen zodat er een zgn. acrotelm van levend veenmos kan ontstaan. In de eindsituatie zal het veen geleidelijk aan de compartimenten vullen en over de dammen heengroeien. Maar voor het zover is zullen we waarschijnlijk heel wat jaren verder zijn.
Het hele miljoenenprojekt dat met Europese subsidies tot stand is gekomen wordt zorgvuldig gemonitord, zowel hydrologisch als wat betreft de vegetatieontwikkeling.


De excursie
Onder leiding van boswachter Martin Snip en Roel Douwes is een uitgebreide tocht door het gebied gemaakt. Eerst lopend via de Bonghaar, een zandrug die een eind het veen insteekt en vervolgens via de dammen met af en toe een kleine insteek in het veen. Onderweg hoorden we de baltsgeluiden van een Watersnip (Gallinago gallinago) en zagen we in de verte twee Kraanvogels (Grus grus) vliegen. Het jong hebben we niet gezien.
Door de hoeveelheid water en de uitgestrektheid van het gebied hebben we veel libellen en vlinders kunnen waarnemen. Van het Veenhooibeestje hebben we enkele tientallen exemplaren gevonden: de meeste vlogen langs de wandelroute door het veen, maar we zagen ook nog enkele exemplaren in het noordwestelijk deel, nabij de Drentse weg.
Het vlindernet van Marcel Hospers gaf in dit weekend een extra dimensie aan de excursies.
Waargenomen libellen zijn:
Watersnuffel (Enalagma cyathigerum) was algemeen aanwezig,
Bruine glazenmaker (Aeshna grandis; 1 vrouwtje door Thea met de hand gevangen),
Gewone pantserjuffer (Lestes sponsa; een aantal mannetjes en vrouwtjes),
Zwarte heidelibel (Sympetrum danae; een aantal jonge mannetjes),
Viervlek (Libellum quadrimaculata; een paar exemplaren boven elk ven)
Gewone oeverlibel (Orhetrum cancellatum; 3 exemplaren)
Metaalglanslibel (Somatochlora metallica; verrassend in een hoogveengebied, trek??)
Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia) en Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda)
en het Heideblauwtje.
In de natte gebieden overheerste Waterveenmos ( Sph. cuspidatum), maar ook Wrattig veenmos (Sph.papilosum), Hoogveenveenmos (Sph. magellanicum), Rood veenmos (Sph. rubellum) en Groot veenmos (Sph. denticulatum) werden gezien. Daarnaast waren ook typische soorten van vochtige heide aanwezig als Zacht veenmos (Sph. tenellum) en Week veenmos (Sph. molle). Witte snavelbies (Rhynchospora alba) was op enkele plaatsen flink vertegenwoordigd, evenals Lavendelheide (Andromeda polifolia). Grote veenbes (Oxycoccus macrocarpus) werd wel gezien, maar de Kleine veenbes (Oxycoccus palustris) konden we niet vinden. Grote veenbes (“Cranberry”)komt plaatselijk vrij veel voor in het gebied: de soort heeft zich via vogels verspreid vanuit een aantal kwekerijen rond Smilde. Kleine Zonnedauw (Drosera intermedia) en Ronde Zonnedauw (Drosera rotundifolia) waren door het gehele gebied aanwezig, evenals het Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum). Op het uiterste puntje van de zandrug Bonghaar ontdekten we de Grondster (Illecebrum verticilatum), Liggende Vleugeltjesbloem (Polygala serpyllifolia) en Stekelbrem (Genista anglica).

Bij elkaar was het een stevige wandeling, maar zeer de moeite waard door de uitgestrektheid van het gebied. Het gaf ons ruim inzicht in de beheersmaatregelen, waarover dan ook regelmatig werd gediscussieerd. De vraag die wij ons stelen was hoe het zou gaan met de veendijken die het eikenhouten hart van de damwanden bedekken. Zou het veen in korte tijd oxideren nu het zo sterk aan de buitenlucht werd blootgesteld?
Wat wij er ook van vonden was betrekkelijk, de Kraanvogels vonden het gebied in elk geval al aantrekkelijk genoeg om dit jaar met succes tot broeden te komen.

Na de wandeling werd nog een bezoek gebracht aan de nieuwe uitkijktoren bij Ravenswoud.
In de bossen rondom de toren zagen we nog Dubbelloof (Blechnum spicant) en Gewoon havikskruid (Hieracium vulgatum). Vanuit de toren aan de oostkant van het veen hebben we nog een korte tijd kunnen genieten van het bijzonder fraaie uitzicht over het weidse terrein. De middag begon al te vorderen en we wilden nog naar het Leggelder Veld.

Leggelder Veld
Het Leggelder Veld ligt ten zuiden van Hoogersmilde, Het is een karakteristiek stukje Drents landschap bestaande uit heide en voormalig stuifzanden. Er om heen liggen akkers, stukken bos, graslanden en een grote zandwinning (het Blauwe Meer). Recent zijn een aantal voormalige akkers en graslanden bij het gebied getrokken zodat een aaneen gesloten geheel van 300 ha. is ontstaan. Het gebied maakt een kleinschalige indruk met boomgroepen op de voormalige stuifzandkoppen. Zowel de droge heide als de vochtige heide komen er goed ontwikkeld voor.
Al struinend door de heide onder leiding van boswachter Roelof Vierhoven en Roel Douwes werden de volgende waarnemingen gedaan:
Grondster (Illecebrum vertillatum), Borstelgras (Nardus stricta) en Tandjesgras (Danthonia decumbens) groeiden volop langs de paden. De vochtige heide bood o.a. Blauwe Zegge (Carex panicea), Veenbies ( Trichophorum caespitosus ssp. germanicus), Bruine snavelbies (Rhynchospora fusca), Witte snavelbies (Rhynchospora alba), Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica), Moeraswolfsklauw (Lycopodiella innundata) en Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe). Er vlogen zeer veel Heideblauwtjes. In de heide waren ook enkele plekken met veenmossen aanwezig ( Sph. tenellum, Sph. molle en Sph. compactum). Er onstond enige discussie over de verschillen tussen Veenbies en Veelstengelige waterbies (Eleocharis multicaulis). Beide soorten bleken aanwezig in de zeer goed ontwikkelde vochtige heide. Bijzonder is ook het voorkomen van Drienerfzegge (Carex trinervis), die de meesten van ons eerder met natte duinvalleien zullen associëren dan met het binnenland. In het Drents district komt deze soort op een aantal plekken voor. Kritische bestudering van de bladkenmerken van het aangetroffen materiaal (huidmondjes, zie de ‘Heukels) leidde tot de conclusie dat we niet met de echte trinervis te maken hadden maar met de bastaard tussen Carex trinervis en Carex nigra (x timmiana).
Heel bijzonder was het gedeelte met uitgegraven veenputjes. In de veenputten groeide veel Klein Blaasjeskruid (Utricularia minor). Op de hoger gelegen delen was Beenbreek (Narthecium ossifragum) overvloedig aanwezig. Voor ons Nederlanders een bijzonder gezicht, zo_n geel veld met Beenbreek. We troffen het natuurlijk wel op het toppunt van de bloei! Bijna uitgebloeid was de Tengere heideorchis (Dactylorhiza maculata ssp. elodes). Deze ondersoort wordt niet in de ‘Heukels onderscheiden, maar wel door orchideeënfreaks en in de ons omringende buitenlanden.
Even buiten het gebied waren nog de laatste bloeiresten te vinden van Wolverlei (Arnica montana) op een heischraal veldje even naast de weg.


Haseluner Kuhweide
De volgende dag togen we naar de Haselüner Kuhweide even voorbij Meppen bij Haselüne in Duitsland. Ook dit is, net als het Börkener Paradies, een duinachtig landschap gevormd door de rivier de Hase en de laatste IJstijd.
Het verschil ligt in de afmeting en de begroeiing. Het gebied is wat groter en door de aanwezigheid van fraaie jeneverbesstruwelen maakt het een weidse indruk. Tussen de duinen liggen oude stroomarmen met meer en minder water. Er is ook een vrij groot meer. Het afwisselende landschap van rivierduinen en stroomarmen zorgt voor talrijke overgangen van droog naar vochtig en van voedselrijker naar voedselarm. Het gebied wordt begraasd met jongvee. Als de gemeenschappelijke weidegrond van een aantal boeren uit de omgeving kent het al decennia lang hetzelfde beheer. Het is vrij toegankelijk voor wandelaars.
Via het vlindernet van Marcel vonden we Breedscheenjuffers (Platycnemies), Watersnuffel (Enalagma cyathigerum), Zwervende Pantserjuffer (Lestes barbarus; 4 stuks, wat erg vroeg was. Het is een kustsoort en erg noordelijk in zijn verspreidingsgebied), Lantaarntje (Ischnura elegans), Gewone pantserjuffer (Lestes sponsa) en de Weidebeekjuffer (Calopteryx splendesn; 5 vrouwtjes , 1 man) en de Grote roodoogjuffer (Erythromma najas; 8 exemplaren).
In het water van de stroomarmen ontdekten we Stompbladig Fontijnkruid (Potamogeton obtusifolius), Drijvende Waterweegbree (Luronium natans), Wateraardbei (Potentilla palustris) en Ondergedoken Moerasscherm (Apium inundatum). Op de drogere delen zagen we o.a. massaal Steenanjer (Dianthus deltoides), Zandzegge (Carex arenaria), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Overblijvende Hardbloem (Scleranthus perennis) en Klein Warkruid (Cuscuta epithymum), hier parasiterend op Geel walstro (Galium verum) en niet zoals meestal gebruikelijk op Struikheide (Calluna vulgaris).


Börkener Paradies

Het bezoek aan het Börkener Paradies gaf vergeleken met vorig jaar geen nieuwe bijzonderheden. Opmerkelijk blijft het bord bij de ingang dat in het Nederlands (!) de ongetwijfeld zeer talrijke Nederlandse bezoekers oproept om op de wandelroute te blijven en de plantjes te laten staan. Het eerste verzoek hebben we ons niet aan gehouden, het tweede wel. Het blijft elke keer een genot om rond te dwalen tussen de oude boomgroepen en de schitterende struwelen van o.a. sleedoorn, meidoorn en wegedoorn. Op de droge rivierduinen stond volop Tripmadam (Sedum reflexum) en ook hier weer Steenanjers. Groot warkruid (Cuscuta europea), Schaafstro (Equisetum hyemale), Lange ereprijs (Veronica longifolia) groeiden in de ruigere en vochtiger vegetaties. In de Ems was Rivierfonteinkruid (Potamogeton nodosus) volop aanwezig.
Recent is de dam die de Ems en de afgesloten stroomarm van elkaar scheidde doorstoken: door middel van een snelstromende vistrap is de verbinding hersteld, waarmee men een verbetering van de waterkwaliteit en daarmee ook van de waterflora en –fauna hoopt te bereiken in de dode arm. Het was net als vorig jaar weer genieten van dit bijzondere stukje natuur aan de Ems.

Deel deze pagina