Verrassende gebieden in Drenthe en Emsland

Geert Kierkels, Marian Schelle en Kai Waterreus

De opkomst voor onze Moeraswerkgroepexcursie in het weekend van 22 en 23 juli 2000 in Drenthe en aanliggend Emsland (Duitsland) was niet bijzonder groot. Dit blijkt achteraf grote pech voor de thuisblijvers, want het is in natuurlijk en amicaal opzicht een bijzonder geslaagd weekend geworden.

Drentegrp2000kl
De groep van 2000 bij het Hunebed in Rolde

Bargerveen

Op zaterdag 22 juli is iedereen al vroeg uit de veren. Om zes uur bij het Bargerveen was de afspraak, wat ook precies gehaald wordt. Het is nog fris en bewolkt als we, bijgestaan door boswachter Jans de Vries en vogelkenner Hans, met z'n negenen beginnen aan de wandeling.
Het gebied Bargerveen is een restant van het vroegere Bourtangermoeras. Dit moeras, gelegen op de grens van Nederland en Duitsland, was het grootste aaneengesloten veengebied van Midden-Europa. Het besloeg ongeveer 3000 vierkante kilometer, waarvan ongeveer 2300 vierkante kilometer hoogveen! Het tegenwoordige reservaat Bargerveen beslaat ca. 20 vierkante kilometer, en is eigendom van Staatsbosbeheer. Van dit reservaat resteert nog slechts 1% levend hoogveen.
We gaan op pad!

Als eerste is er een korte blik op een van de laatste afgegraven stukken hoogveen (het Oosterveen).

zuredeel

Dit deel bestaat nu uit vele min of meer aaneengesloten meertjes. Het gebied is een aantal jaren geleden 'ommuurd' met een veenwal, met de bedoeling het water weer op het voormalige niveau te brengen. Inmiddels is in dit plassengebied een uitdijende aanwas van veenmossoorten (vooral Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum)) te vinden. Dit is te beschouwen als een eerste aanzet tot vorming van laagveen, wat op zich weer kan evolueren naar hoogveen. Dat dit vele tientallen jaren vergt, hoeft geen nadere uitleg.
In dit waterrijke gebied, afgewisseld met wilg- en braamstruweel, jong berkenbos en natte heide voelen de Grauwe klauwier en de Blauwborst zich goed thuis. De Grauwe klauwier broedt hier met bijna 150 paar, wat ruim de helft is van de huidige Nederlandse broedpopulatie. Vanuit de vogelkijkhut is het echt genieten van een fraai overzicht over deze van nature zure plassen (pH = ca. 3 a 4).
Via de veenwal verlaten we dit deel en gaan in oostelijke richting naar het Meerstalblok, het meest interessante deel van ons bezoek. Maar op onze weg naar dit stukje levend hoogveen komen we langs voormalige graslandperceeltjes. Dit zijn zgn. bovenveenhooilandjes: grasland op gedeeltelijk afgegraven veen, waar hooi geoogst werd voor het vee. Door de jaarlijkse oogst en de slechts geringe bemesting zijn deze graslanden sterk verschraald. Dit uit zich in de aard van de vegetatie, waarvan hier een greep: Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia) inmiddels uitgebloeid, maar nog goed te herkennen, Kleine veenbes (Oxycoccus palustris), Moerasviooltje (Viola palustris), Tormentil (Potentilla erecta), Kale jonker (Cirsium palustre), Echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi), Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa) en Addertong (Ophioglossum vulgatum) (helaas door ons niet waargenomen), maar ook in de meest schrale situaties: Dophei (Erica tetralix), Veenpluis (Eriophorum angustifolium), diverse veenmossen, haarmos en haakmos. Boswachter Jans de Vries toont ons de proeven met verschillende typen bemesting en onderhoud van deze schraallandjes. Eén maal per jaar in september maaien en een lichte bemesting lijkt de beste resultaten te geven.

Het pad gaat nu wat omhoog door een grote natte heide op veen, met Witte snavelbies (Rhynchospora alba) om ons de weg te wijzen: "Aan de Witte snavelbies kan je precies zien waar mensen regelmatig lopen in dit soort terrein", aldus Jans. Inderdaad, het spoor gaat langs peilbuizen en voor ons uit naar het centrum van het al eerder genoemde Meerstalblok. Dit is het hart van het reservaat! Onderweg naar het levend hoogveen veel Kleine en Ronde zonnedauw (Drosera intermedia, D. rotundifolia), Dophei, Struikhei (Calluna vulgaris), Kleine veenbes, Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum), haarmos en diverse soorten veenmos.
Het levende hoogveen blijkt omzoomd door een lage veendam en begroeid met Dophei, Beenbreek (Narthecium ossifragum), Lange zonnedauw (D. longifolia), Lavendelhei (Andromeda polifolia), Pijpestrootje (Molinia caerulea) en Witte snavelbies. De volgende veenmossen zijn hier gedetermineerd: Hoogveenveenmos (Sph. magellanicum), Wrattig veenmos (Sph. papillosum), Kamveenmos (!) (Sph. imbricatum), Gewoon veenmos (Sph. palustre), Slank veenmos (Sph. recurvum), Haakveenmos (Sph. squarrosum), Gewimperd veenmos (Sph. fimbriatum), Waterveenmos, Rood veenmos (Sph. rubellum) en Vijfrijig veenmos (Sph. pulchrum).


Om het levend hoogveen in stand te houden en te regenereren is men geheel afhankelijk van het hemelwater.
"Wat ons hier nog te doen staat is het indammen van het water. Het hoogteverschil met het omringende gebied bedraagt zo'n 5 meter. Aan de westkant hebben we al een soort terrassen aangelegd. Het zelfde willen we ook aan de oostkant van het terrein doen. Vergelijk het maar met sawa’s. Op die manier proberen we het regenwater zo lang mogelijk in het midden vast te houden. In de nabije toekomst zullen we aan de oostkant een dijk van keileem aanbrengen om het afstromen van het water tegen te gaan. Daarna kunnen we door het aanleggen van extra veendammen het aantal terrassen uitbreiden. Wij hopen dat hiermee het afstromen van het water uit het centrum zoveel verminderd is dat de kwaliteit van het levend hoogveen gehandhaafd blijft” legt De Vries uit.
Langzaam dalen we in zuidelijke richting af naar het Amsterdamse Veld. Onderweg kunnen we zien dat een veenwal ook zijn beperkingen heeft. "Na de buitensporige regelval van een aantal jaren geleden was de waterdruk zo hoog en de dam zo verzadigd, dat hij gescheurd is. We verwachten dat de aan te leggen keileemwal ons in staat stelt de dammen heel te houden en de waterstand beter te beheersen." aldus Jans de Vries.
We passeren een vrij brede strook met water en zacht glooiende oevers. Dat hier ooit een asfaltweg liep, valt niet meer te herkennen. Aangekomen bij het Amsterdamse Veld blijkt dit een uitgestrekte vlakte te zijn met heel veel water: afgegraven hoogveen waar het water hoog is opgezet met het lange-termijn-doel levend hoogveen te regenereren, zoals we dat al eerder zagen in het Oosterveen. Daar kunnen we nu echter niet op wachten. We besluiten dit gebied te laten voor wat het is en gaan weer verder.
Via een veenwal maken we een omtrekkende beweging. Om een goed beeld te krijgen van hoe hoog het veen ooit is geweest, heeft Staatsbosbeheer een berg veen van zo'n 7 meter hoog opgeworpen.

heuvel

Staande op die berg is het landschap goed te overzien. Dat het hele gebied ooit deze hoogte heeft gehad is dan moeilijk voor te stellen. Via een vrij recent ontwikkelde begraasde natte heide (veel Dophei, Struikhei, Kleine en Ronde zonnedauw, Witte snavelbies, Kraaihei (Empetrum nigrum) en de drie natte heide-veenmossen: Zacht veenmos (Sph. tenellum), Week veenmos (Sph. molle) en Kussentjesveenmos (Sph. compactum)) gaan we terug naar onze auto's. De zon is doorgebroken en na een korte regenbui wordt het warm. Onderweg wordt kort gesproken met leden van de Vlinderstichting. Helaas, de lage bewolking heeft hen parten gespeeld, er vliegen weinig vlinders. Lopend langs een oud smalspoorlijntje komen we rond het middaguur weer bij het uitgangspunt. Alles bij elkaar een fikse wandeling, maar zeer de moeite waard. We danken Jans de Vries en Hans voor de fraaie rondleiding en hun inbreng, met name voor het benoemen van de veenmossoorten.

Mantingerveld
Door enkele diehards wordt op zaterdagmiddag het Mantingerveld bezocht. Dit is een ca. 720 ha groot terrein van Natuurmonumenten, voornamelijk bestaand uit natte en droge heide, afgewisseld met vennen, stuifzanden, (Jeneverbes)struwelen en naaldbos. Het beheer bestaat onder andere uit begrazing door Schotse hooglanders en schapen. Verder blijkt de heide de laatste jaren met regelmaat mozaïekachtig geplagd te worden: dit resulteert in dominant optreden van Struikhei. In twee tot drie jaar geleden geplagde delen vinden we vrij veel Klein warkruid (Cuscuta epithymum): ca. 50 locaties, elk van 0,5 tot 4 m2. Verder op de heide: heel veel Pijpestrootje, en een heel klein beetje van de volgende soorten: Kraaihei, Dophei, Trekrus (Juncus squarrosus), Borstelgras (Nardus stricta) en Tandjesgras (Danthonia decumbens). Naar de andere natte heidesoorten die we vanmorgen in het Bargerveen zagen is wel gezocht, maar hebben we niet gevonden. De venranden zijn begroeid met veel Pitrus (Juncus effusus) en Waterveenmos, en weinig Snavelzegge (Carex rostrata), Knolrus (J. bulbosus) en Veenpluis. Helaas zijn we vanwege tijdgebrek niet toegekomen aan de Jeneverbesstruwelen.

Borkener Paradies
Op zondag gaat de reis naar Duitsland (voor wie het nog niet wist: dit is een van de vele internationale excursies van de Moeraswerkgroep). Ons eerste doel is het Borkener Paradies, een kilometer of 10 over de Duitse grens.
Na de auto's geparkeerd te hebben lopen we over een asfaltweg naar een afgesneden rivierarm van de Ems. Het oorspronkelijke verlaat is afgebroken en een dam is er voor in de plaats gekomen. Na even rondgeneusd te hebben in de oude rivierarm lopen we de dam over op weg naar het 'Paradijs'. Nauwelijks zijn we het toegangspad ingelopen of er klinkt verbaasd: “Kijk eens, wauw! Groot warkruid! (C. europaea) in overvloed. De grote broer van de kleine broer van gisteren!” In de ruigte langs de waterrand. Ook Schaafstro (Equisetum hyemale) blijkt ruimschoots te vinden in het loofbos op de rivierduinachtige oevers. Jos was ons vooruitgelopen het eigenlijke rivierduingebied in. Hij kwam terug met Kattendoorn (Ononis spinosa), wat een voorproefje was van wat ons te wachten zou staan.

vlakteweb

Het 'Paradies' ligt in een bocht van de rivier en zou in de laatste ijstijd zijn gevormd. Het is een duinachtig gebied van leemruggen en zand met prachtige bomen, omzoomd door populieren (Populus spec.) en veel doornstruiken als Sleedoorn (Prunus spinosa) en meidoorn (Crataegus spec.). Het geheel doet sterk denken aan een grote tuin ontworpen in de Engelse landschapsstijl.
Al wandelend door het terrein werden ontdekkingen gedaan als Tripmadam (Sedum rupestre), Liggend bergvlas (Thesium humifusum), Steenanjer (Dianthus deltoides), en nog veel meer interessante soorten.
Maar ook hier heeft de verdroging toegeslagen. Het beroemde meertje in het centrum is aan verdroging onderhevig. Dat het toch een bijzonder watertje is blijkt uit de aanwezigheid van Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum)! Wellicht leest u in een volgend artikel in Parnas nog meer over dit bijzondere Borkener Paradies.
Ter afsluiting is nog kort een bezoek gebracht aan drie kleine vennen een tiental kilometers verderop. Het meest opmerkelijke was hier een bijzonder ruime verspreiding van Slangewortel (Calla palustris). Deze moerasplant heeft zich ter plaatse over een groot gebied verbreid, tot in het relatief droge berkenbos dat de vennen omgeeft.
Kort samengevat kan worden gesteld dat het een bijzonder geslaagd weekend is geweest, met erg veel mooie natuur, in de erg gastvrije en comfortabele woonstede van een van de bestuursleden van de MWG.

Meer foto's op http://home.hetnet.nl/~gerdien14/borken.htm

Deel deze pagina