Varen door het Apenland.
-met de moeraswerkgroep in het Ilperveld-door Paul Boddeke

in de boot

Op 3 september 2011 bezocht de Moeraswerkgroep het Ilperveld, een brakwaterveenweideterrein in de Zaanstreek. Onder de zeer deskundige leiding van Nico Dekker, die het gebied al sinds 1977 beheerd, gleden we met een kleine groep in een comfortabele platte excursieboot door het doolhof van rietkragen, 'akkers' (de lokale naam voor de onvergraven delen van de eilandjes) en petgaten.
Nico Dekker

Wat meteen opviel op deze zomerse dag was de openheid van het gebied. Als het je lukt om boven een rietkraag uit kijk je 5-6 kilometer ver. Een groot deel van de horizon wordt daardoor bepaald door sky-line van Amsterdam.

Zo'n vrij uitzicht was tot 70 jaar terug niet bijzonder in het boomloze Holland, maar is sindsdien uiterst zeldzaam geworden.
De openheid is belangrijk voor de weidevogels en voorkomt overmatig inwaaien van zaden van berk, els en wilg. Beheerder Nico Dekker heeft er altijd z'n handen vol aan gehad, want dit cultuurlandschap zou zonder beheer al lang veranderd zijn in een berken-elzenbos, zoals je dat in de veel laagveennatuur in Nederland ziet.
berkenbroek


Een deel van de eilanden wordt van april tot oktober begraasd door 94 stuks vleesvee. Buiten die periode is het land simpelweg te nat en staat het vee in een boerderij met potstal, die vlak bij het beheergebouw staat. De boer die de boerderij pacht kan alleen rondkomen dankzij subsidies, want volgens Nico levert dat apenland (natuurgrasland) te weinig gras op. Sommige eilanden worden begraasd met Hollandse landgeiten, die niet terugdeinzen voor houtig, schraal eten. Een ander deel van de eilanden wordt gemaaid, variërend tussen de een tot drie maal per jaar. Op enkele eilanden is de plantaardige productie zo laag dat maaien niet nodig is.
Wat heel duidelijk werd was dat het terrein zo groot is en dat er zo veel onderhoud nodig is, dat je als beheerder keihard moet werken en nooit alles kunt en dus dat je creatief moet roeien met de riemen die je hebt.
gemaaid

En daar is Nico Dekker goed in. Maaisel wordt zoveel mogelijk op korte afstand van de maailocatie verwerkt, op zo'n manier dat kwetsbare vegetatie daar zo min mogelijk onder lijdt. Afvoeren van maaisel is duur en ook praktisch meestal niet uitvoerbaar. Op twee locaties laat Nico zien hoe hij met het maaisel in de loop der jaren (je moet geduld hebben) paden aanlegt waar hij vervolgens met de maaimachine over kan rijden. Op plekken met grotere bomen zaagt hij met zijn kettingzaag door het veen heen de wortels van bomen om, zodat niet alleen de boom, maar ook de stobbe weg is. Als hij dat niet zou doen, loopt de stobbe uit en de maaimachine vast...

In het Ilperveld zijn vele vuilstorten en gifbelten aanwezig. De vervuiling vormde een tijdbom onder het gebied, maar alles afgraven en afvoeren was financieel niet mogelijk. De afgelopen jaren zijn daarom miljoenen gestoken in het isoleren en afdekken van de vervuilingsbronnen en zijn tegelijkertijd de watergangen gebaggerd. Op veel plaatsen in het veld wordt nog gewerkt en zie je baggerdepots en kranen.

Er is van oudsher veen gewonnen in het Ilperveld door petgaten te graven in de eilandjes. Zo'n petgat groeide vervolgens langszaam dicht, waarbij steeds andere plantensoorten een groeiplaats kregen. In 1996/1997 zijn voor het eerst weer nieuwe petgaten gegraven, omdat men merkte dat veel bijzondere planten en vegetaties aan het verdwijnen waren.

Nu, zo'n 15 jaar verder vonden we in het veld een zeer wisselende begroeing terug in de petgaten. Was het ene petgat dicht begroeid met riet, lisdodde en kikkerbeet, een ander petgat op maar een paar meter afstand was nog heel open en heeft een verlandingszone van waterscheerling, moerasandoorn, moerasvergeetmenietje, flab en kikkerbeet. Riet stond wel langs de kanten, maar ging het water niet in.
Een eenduidige verklaring voor de verschillen op zo'n grote afstand was niet meteen te geven. 
Op de overgang tussen de 'akker' en het nieuwe petgat was op veel plaatsen nog iets van de vegetatie van het oude verlandde petgat over. Ed Brinkkemper wist er een aantal veenmossoorten te onderscheiden. Tussen het veenmos groeien soorten als waternavel en moerasviooltje. Op iets minder zure oevers zagen we ook veel rozetten van echte koekoeksbloem.

Op de plaatsen waar de petgaten verlandden bleek een afwateringsprobleem te ontstaan. De kavels hebben een badkuipvorm: hoog langs de randen en laag in het midden. Waterafvoer gaat normaal via greppels het perceel af, maar via een verland petgat stroomt het water niet goed weg en gaat het zich een weg zoeken over 'de akker.' Daar ontstaat vervolgens een breed uitwaaierende afvoer richting de sloot en een zwakke plek waar vee en machines in wegzakken. Als oplossing waren er vaak takken op zo'n plek gegooid, maar dan zocht het water gewoon een nieuwe plek, liet Nico zien. Nu dacht hij aan het aanbrengen van een greppel parallel aan het petgat, die vervolgens met een buis afwatert op de boezem. Door de buis een kantelbare top te geven kan hij vervolgens bepalen of en wanneer hij de buis laat afwateren.

Behalve de nieuwe petgaten en het 'oude' grasland zagen we op de eilanden ook veel stroken met oude verlandde petgaten van voor 1930. Op dat soort lokaties domineert vaak een oeverzeggevegetatie, waartussen soorten als zompzegge en moerasbastaardwederik groeien. Die laatste twee zorgden nog voor de nodige determinatieproblemen. De eerste vooral omdat er bij de zompzegge geen duidelijke bloeiwijzes meer waren, en bij de moerasbastaardwederik omdat hij niet 100% aan alle kenmerken voldeed.

Boven ons hoorden wij ondertussen de tjiepjes van doortrekkende gele kwikstaarten en met name op wallen van de baggerdepots waren regelmatig tapuiten op doortrek te zien. Ook het witgatje liet zich af en toe zien.  De weidevogels waren beperkt tot groepen kievitten. Nico vertelde dat de boerenzwaluwen bij de schuren nog jongen hebben.

Tussen de petgaten lagen ook stukken ouder veenmosrietland, waarbinnen haarmos gaat domineren. Een bijzondere soort in dit gebiedje bleek de bastaard tussen kruipganzerik en tormentil. De planten die we aantroffen waren veelvormig; sommige leken sterk op tormentil, de meeste op kruipganzerik, maar geen enkele van de door ons bekeken exemplaren voldeed aan de kenmerken die de flora noemt ten aanzien van de lengte van de kelk en kroonbladen.
kruipganzerik
In het veenmosrietland stonden aardig wat kleine paddenstoelsoorten waarvan een deel echt bij veenmosrietland hoort. Emma van den Dool wist er de rode lijstsoorten kaal veenmosklokje, veenmosgrauwkop, veenmosvuurzwammetje en de paddenstoelen groot mosklokje, heksenboter en schubbige fopzwam te onderscheiden.

Het Ilperveld vormt ook het biotoop voor zo'n zes tot acht paar roerdomp. Er zijn door Landschap Noord-Holland en Bureau Waardenburg enkele roerdompen gezenderd, zodat meer inzicht ontstaat in het terreingebruik en de trek. Nico vertelde hoe veel moeite het kost om ze te vangen met klapkooien en schepnetten.
De zenders levert zeer waardevolle informatie op. De roerdompen blijken de hele regio Zaanstreek-Waterland als foerageergebied te gebruiken en de gezenderde dieren trokken in de winter weg naar Senegal en Gambia. Omdat er in de winter wel roerdompen aanwezig zijn in het gebied, is het de vraag wat dat dan voor dieren zijn.
Hier heeft Nico zijn eigen theorie over: dieren die in de winter terecht komen in de vogelopvang wegen 8 ons en overleven het meestal niet.
Nou weegt een volwassen vrouwelijke roerdomp in goede conditie 8 ons en een mannetje 11-13 ons. Je zou daarom niet verwachten dat een vrouwelijke roerdomp van 8 ons zo verzwakt is dat ze in de opvang terecht komt. Daarom denkt Nico dat de vrouwtjes wegtrekken naar Afrika en de mannetjes blijven.

Al varende met de boot valt op dat er eigenlijk geen waterplanten aanwezig zijn. Dit hangt samen met de slechte waterkwaliteit. Het Ilperveld staat in open verbinding met het Noord-Hollands Kanaal en heeft een boezemfunctie. Daardoor is er ook sprake van een tegennatuurlijk waterpeil, want de boezem wordt in de winter kunstmatig lager gehouden zodat er ruimte is om regenwater uit de polders op te vangen.
Landschap Noord-Holland heeft enkele afgesloten vakken gemaakt door houten dammen te slaan tussen eilandjes. Binnen die vakken kan een meer natuurlijk peil worden aangehouden en kan het boezemwater buiten gehouden worden. In een behoorlijk deel van de sloten binnen de afgesloten vakken en ook in sloten die ver van de inlaat van het kanaal liggen groeien nu waterplanten. Meestal is dat gedoornd hoornblad of schedefonteinkruid. Maar op sommige plaatsen groeit ook al krabbenscheer, een soort die waarschijnlijk geintroduceerd is.Veel typischer voor de brakke Zaanstreek zijn zannichellia en ruppiasoorten, maar die staan nog maar op enkele plekjes te kwijnen. Beter gaat het met het bijzondere groot nymfkruid.
Nico legde de klep van de boot over een van de dammen waarachter een nymfkruidvegetatie in de sloot groeide, zodat wij 'm goed konden bewonderen.
groot nympfkruid

Even verderop stonden we stil bij een vispassage op zonne-energie, die passage van kleine-en jonge vis tussen de afgesloten vakken en het buitenwater mogelijk moet maken. Het leek er niet op dat het apparaat aan stond en voor zover Nico wist was het apparaat tot nu toe ook niet zo'n succes.
vispassage

Vervolgens kwamen we aan op een groot eiland waar Nico in zijn beginjaren door twee jaar te klepelen een beginnend bos had weggehaald. De resterende boompjes (20% van het totaal) had hij samen met vrijwilligers uitgestoken. Vervolgens was het terrein tot '88-'90 jaarlijks gemaaid. De afgelopen dagen was Nico er bezig geweest met het weghalen van braamopslag en wat appelbes. Dat er ooit bos gestaan had was niet echt zichtbaar, op enkele wilgenroosjes en braam na; het terrein zag er uit als een rietveld. Meer naar het midden toe bleek het riet echter snel dunner te worden. Hier was sinds 1990 niet meer gemaaid. De ondergroei bestond uit cranberry (grote veenbes), die dit jaar overigens nauwelijks bessen bevat. In de cranberryvegetatie had zich inmiddels ook lokaal pijpenstrootje, veenpluis (zeer hoge, rietachtige pollen) kraaiheide, dopheide en struikheide gevestigd. Ook groeiden er paddenstoelen als de veenmosgrauwkop en mosklokjes (spec.) Volgens Jaco Diemeer ziet brakwaterveendeskundige Ron van het Veer cranberry als een van de bedreigingen van het vegetatietype veenheide, maar op deze kavel vestigde de heide zich nadat er al een mat van cranberry lag!  Maar of er meer heide zou zijn gaan groeien als er geen cranberry zou staan weet je natuurlijk ook niet.
Een deel van de cranberryvegetatie was 10 jaar geleden 25 cm afgeplagd, maar het was nu al duidelijk dat dat tevergeefs was geweest, de vegetatie begint al weer erg op de uitgangssituatie te lijken.

Op vele plaatsen zagen we looppaadjes en keutelbergjes van de noordse woelmuis liggen. Voor Nederlands enige endimische zoogdierondersoort is het Ilperveld erg belangrijk, omdat zijn concurrent veldmuis er door de nattigheid niet in komt. Nico vertelde hoe hij bij maaiwerkzaamheden in de winter wel eens de topjes van de bolvormige nestjes afmaaide, maar dat de wanden van de nesten wel een paar centimeter dik zijn, zodat dat niet erg is.

Dit maaien in de winter heeft overigens niet de voorkeur bij Nico; de bovenste laag van het veenmosrietland bevriest, maar isoleert zo goed dat het heel lang duurt voordat de rest bevriest. Vervolgens heb je een vals gevoel van zekerheid, terwijl je elk moment met je machine door de bodem kan zakken! Volgens Nico kan je pas met de maaimachine over bevroren eilandjes maaien als je met diezelfde machine ook over het ijs van de sloten kunt rijden. En nog is het dan riskant.
Andersom isoleert veenmosrietland ook ook heel goed. Zo vertelde Nico dat hij bij het weghalen van boomopslag in mei en juni ontdekte dat de wortelkluiten nog gewoon bevroren waren!

Als laatste brachten we een bezoek aan de meer bosrijke westelijke eilandjes. Hier is berkenbroekbos aanwezig met een veenmosondergroei waartussen de veenmosgordijnzwam groeit. Langs de randen staat vooral grauwe wilg.
Op een van de eilandjes is Nico nog druk doende om het bos te onderdrukken, omdat hier groeiplaatsen van orchideeën, waaronder vleeskleurige orchis te vinden zijn. Door heel vaak te maaien, boompjes weg te zagen en te trekken ontstaat ook hier een mooi terrein. We ontdekten  tussen de uitgebloeide orchissen nog fraai geel met zwart gekleurde marmerspin. Van deze zeldzame soort waren nog geen waarnemingen bekend uit het Ilperveld en omgeving.

Vervolgens voeren we terug en keken we naar de cirkelende bruine kiekendieven, een biddende buizerd en een voorbij scherende torenvalk. Het was een zeer geslaagde excursie geweest.

Paul Boddeke


Opname 1: haarmosrietlandbegroeiing met bastaard kruipganzerik x tormentil.
Schaal: Braun-blanquet
X:124.407 Y: 496.113
1,5 bij 1,5 meter.
Totale bedekking 99
Lage kruidlaag: 40 cm hoog, hoge kruidlaag (riet): 150 cm hoog
Bedekking moslaag 90%
Bedekking kruidlaag: 20%

Riet                          1
Dopheide                2a
Moerasviooltje            +
Veenpluis                1
Waternavel                2m
Moerasstruisgras            2a
Pitrus                    1
Kruipganzerik x tormentil        +
Gestreepte witbol            +
Haarmos (spec)            3
Veenmos (spec)            3

Opname 2: cranberryrietland met daar in opgekomen struikheide
Schaal: Braun-blanquet
X: 123.934 Y496.295
2,5 bij 2,5 meter
Totale bedekking 99
Hoogte (riet): 150 cm, cranberrymat: 40 cm
Bedekking moslaag: 60%
Bedekking kruidlaag: 85%

Struikheide                2b
Grote veenbes (cranberry)        4
Riet                    2m
Veenpluis                1
Pijpenstrootje                1
Haarmos (spec)            1
Spaghnum fallax            4

Deel deze pagina