Natuurbescherming

De coronacrisis deed even die andere crisis vergeten: die van de stikstofuitstoot. Toch heeft ook die crisis een grote impact op het openbare leven in Nederland. Maar er is een belangrijk verschil: er is een oplossing voor handen. “Geen gemakkelijke quick wins, maar het kan”, zegt Louise Vet, ecoloog, voormalig directeur van het NIOO-KNAW en emeritus professor Evolutionary Ecology bij de Wageningse Universiteit.

Tekst Paul van Bodengraven

Louise Vet was een van leden van het adviescollege Stikstof (‘Commissie Remkes’) dat deze zomer zijn eindadvies publiceerde onder de veelzeggende titel Niet alles kan overal. Een gesprek over de toekomst van natuur in Nederland.

Niet alles kan overal, dat is duidelijk. Protesterende boeren, een bouwstop, minder vliegen; de stikstofuitstoot heeft de wereld op zijn kop gezet. Is er nog een uitweg voor ons overvolle land uit deze crisis?

Louise Vet: “Het mag duidelijk zijn dat het ingewikkeld is om dit probleem op te lossen. Er zijn zoveel wensen en activiteiten waarmee belangen en geld gemoeid zijn. Het is een illusie om te denken dat het met een paar simpele maatregelen is op te lossen. Maar het kan én – niet onbelangrijk – het moet! Er ligt nu een gerechtelijke uitspraak die de overheid dwingt om natuur beter te beschermen, conform de Europese richtlijnen die we zelf ondertekend hebben. Aan de slag dus!”

Louise Vet

Louise Vet. (Foto Tirzah Schnater/Ministerie van OCW.)

Wat is in uw ogen de sleutel om te komen tot een betere bescherming van de natuur?

“Het verminderen van de uitstoot aan de bron, dat is het enige dat echt gaat helpen. Dat moeten we aanpakken op alle fronten, generiek en gebiedgebonden. Generieke maatregelen als het verlagen van de verkeerssnelheid helpen, maar verwacht daar niet te veel van. Hoe je het ook went of keert, de veestapel is de grootste bron van de zeer schadelijke ammoniakuitstoot. Dus daar moet veel gebeuren en dat vergt een lokale aanpak. Als eerste bij de gebieden waar de kritische depositiewaarden structureel in hoge mate worden overschreden, en vooral rond de Natura 2000-gebieden.”

In wat voor tijdsbestek is dat haalbaar en wanneer mogen we natuurherstel verwachten?

“Het advies schetst een aanpak van tien jaar om de uitstoot met 50% te verminderen. Met bovendien het advies deze vermindering nauwgezet, elke twee jaar, te monitoren, geen streven maar wettelijk vastgelegd, juridisch geborgd.  Pas als die uitstoot daadwerkelijk 50% of meer is verlaagd, kun je natuurherstel verwachten. Uiteraard kun je tussentijds best beheermaatregelen uitvoeren, zoals afplaggen of andere ingrepen, maar voor structureel herstel is reductie van de uitstoot cruciaal, anders blijft het dweilen met de kraan open. Op sommige plaatsen zal de emissiereductie ook meer dan 50% moeten zijn. Herstel komt niet vanzelf, dat zal op gang moeten worden geholpen met een combinatie van maatregelen en ingrepen. Laten we daarbij zoeken naar synergie, dus maatregelen die niet alleen bijdragen aan het versterken van de biodiversiteit maar tegelijkertijd andere maatschappelijke uitdagingen aanpakt zoals klimaatadaptatie en een vitaal platteland. Stel je een veenrijk Natura 2000-gebied voor, waar het lukt om in de omgeving de stikstofuitstoot terug te dringen. Als het waterschap daar bovendien het waterpeil kan verhogen, zal dit ook leiden tot reductie van CO2-uitstoot door het veen. Of kijk naar het type bedrijfsvoering. Door een hoger waterpeil kunnen er minder zware machines op het land, waardoor de grond minder dicht wordt gedrukt hetgeen het bodemleven stimuleert, waardoor de bodem losser wordt en meer water kan vasthouden in tijden van droogte. Weidevogels keren terug want er is voedsel en water te vinden. In het ernaast gelegen land worden bijvoorbeeld nieuwe bossen aangeplant voor recreatie en bosbeheer, waardoor de druk op het beschermde gebied behapbaar blijft. Zo kunnen bescherming en ontwikkeling hand in hand gaan.”

Is er dan nog wel voldoende ruimte voor de landbouw?

“Ja, mits die deels op een andere leest is geschoeid. Jarenlang zijn schaalvergroting en intensivering het enige toekomstperspectief geweest voor boeren. Dat is een fuik waar ze ingezwommen zijn en waar enkelen ook weer uitgestapt zijn. Ik denk dat we moeten werken aan een ander toekomstperspectief voor boeren en hen, maatschappijbreed, daarbij moeten helpen. Ten eerste moeten er voldoende financiële middelen van de overheid komen om boeren te helpen de overgang te maken. Daarna is het verdienmodel van de boer een cruciale succesfactor. Als wij boeren vragen anders te boeren dan moeten we ze daar ook voor belonen. Dus meer natuurinclusief boeren, maar zonder dat hun inkomsten daardoor teruglopen. Minder output/productie betekent trouwens niet meteen een lager netto-inkomen. Bij significant minder kosten aan de voorkant voor kunstmest, chemische bestrijdingsmiddelen, medicatie en (kracht)voer en een iets betere prijs voor hun producten kan extensivering financieel goed worden opgevangen. Dat laat een heel aantal boeren al zien. Ik verwacht ook veel van een meer hybride bedrijfsvoering waarbij boeren ook beloond worden voor het beheren van natuurgebieden, onderhouden van landschapselementen zoals heggen en hagen, waterlopen enzovoorts. Of denk aan een lagere pachtprijs, een lagere rente op hun leningen, of minder waterschapsheffing van de waterschappen als ze een betere waterkwaliteit leveren of een hoger waterpeil toestaan. Andere geldstromen dus, die samen kunnen zorgen voor een fatsoenlijk inkomen. Een stapeling van verdienmodellen noemen we dat bij het Deltaplan Biodiversiteitsherstel (zie samenvoorbiodiversiteit.nl). Het vraagt veel denkkracht en creativiteit om die oplossingen te bedenken, maar door met vele partijen samen te werken en integraal te denken is veel synergie mogelijk. Daarnaast is het ook een optie om agrarische activiteiten te concentreren op plaatsen waar ze minder schade toebrengen aan de natuur. Een traditioneel melkveebedrijf of varkensfokkerij naast een Natura 2000-gebied, dat is geen gelukkige combinatie.”

Eigenlijk weten we al sinds de jaren ’70 dat de natuur te lijden heeft onder alle economische activiteit. Hoe komt het dat we pas met een gerechtelijke uitspraak in 2020 echt werk gaan maken van bescherming van de natuur?

“Daar is geen eenduidige verklaring voor. Dat heeft wellicht voor een deel te maken met de Nederlandse koopmansgeest. Het is wel duidelijk dat onze overheid decennialang de economische activiteiten heeft laten prevaleren boven de bescherming van onze natuur. Beleid, sterk beïnvloed door lobby van belanghebbenden, bleef immer steken in mooie plannen en beloften, in de hoop dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen. Tegelijk is er veel meer aandacht en onderzoek gekomen naar de achteruitgang in biodiversiteit. Nu hebben we voor het eerst de wet achter ons die het vrijblijvende karakter ervan afhaalt. We moeten aan de bak!”

grutto

Grutto. Het aantal weidevogels, zoals de grutto, is de afgelopen decennia hard achteruit gegaan | foto Gertjan Hooijer.

U bent, ondanks de matige staat van onze natuur, positief over de mogelijkheden om dit op te lossen?

“Ik vind het jammer dat er altijd wordt gesproken in termen van ‘spanningsvelden’ en ‘tegengestelde belangen’ over dit onderwerp. Ik ben ervan overtuigd dat we door slim te werk te gaan en door zaken te combineren echt resultaten kunnen boeken. En ja, dat is een grote zoektocht en vraagt om veel innovatieve arrangementen. Maar het kan, daar zie ik ook veel mooie voorbeelden van. Ik ben een positief mens, ik geloof in de ontwikkelkracht van de mens. We hebben al zoveel gedaan en bereikt wat voor onmogelijk werd gehouden. Dit gaan we ook realiseren, al zal het een lange adem vergen, van iedereen.”

Wat kan de individuele burger doen om te helpen?

‘Als burger en consument kun je het verschil maken met je gedrag, niet alleen door, waar mogelijk, je invloed aan te wenden, maar zeker ook met je portemonnee. Door biologische of lokale producten te kopen, zo mogelijk direct bij de boer waardoor je bijdraagt aan korte voedselketens, minder vlees te eten, vaker de fiets of het openbaar vervoer te pakken; het zijn voor de hand liggende dingen die je kunt doen. Voor KNNV’ers is dat misschien vanzelfsprekender dan voor anderen. Maar als KNNV’er kun je als ambassadeur van de natuur je ook inzetten voor meer begrip van onze natuur. We kunnen in eigen kring elkaar blijven vertellen hoe bijzonder de natuur is, maar er is ook een buitenwereld die we veel meer bij de natuur moeten betrekken; simpelweg door te laten zien hoe bijzonder en veelzijdig die is. Er zijn zoveel iconische Nederlandse dieren en planten die de warme aandacht van het grote publiek verdienen. En ook al zijn dat vaak niet de meest zeldzame soorten, het zijn waardevolle voorbeelden om steeds meer mensen te verbinden met de natuur. De natuur is van iedereen, voor iedereen. Als mensen zich ‘eigenaar’ voelen, zullen ze ook meer doen om die te beschermen. We kennen allemaal het spreekwoord ‘onbekend maakt onbemind’. Denken over biodiversiteit en samenleven in balans met de natuur, daar is niks ‘zweverigs’ aan. Maar een groot deel van de Nederlanders is het wel verleerd de afgelopen decennia. Dat buig je niet in een keer om, daar is een cultuuromslag voor nodig. Die is al gaande, maar heeft nog wel wat ondersteuning nodig. Daar kunnen natuurliefhebbers een belangrijke rol bij spelen. Niet door met het vingertje te wijzen, te zwartepieten, dat werkt juist averechts, maar door je liefde voor de natuur te delen.”

Hoe was het voor u om als ‘meest groene’ lid te werken in een adviescollege waarin ook leden zaten die meer affiniteit hadden met de landbouw of die uit politieke hoek kwamen?

“Het adviescollege was heel breed samengesteld en dat was ook meteen de kracht ervan. Dit is geen advies van een groen clubje, maar van een selectie leden met een brede kennis van de betrokken sectoren. Het was wel bijzonder op te merken dat er zo naar het advies werd uitgekeken. Waar veel adviezen in een bureaulade of kast verdwijnen werd hier halsreikend naar uitgekeken. Dat kwam natuurlijk ook door de grote noodzaak, want alle economische ontwikkelingen die stikstof produceren zaten op slot, met de bouw als grootste slachtoffer. Het eerste advies werd daarom direct omarmd en uitgevoerd. Het zware eindadvies komt natuurlijk op een moeilijker moment, zo vlak voor de verkiezingen, maar ook dit advies wordt in brede kring begrepen, ook door een deel van de boeren. De kracht van het advies is dan ook dat we een duidelijke langetermijnvisie neerzetten waar het naar toe moet, dat we doelen voorschrijven, geen maatregelen. We spreken boeren, met respect, dus aan op hun ondernemerschap en innovatieve vermogen om de benodigde transitie te maken. Maar wel binnen heldere kaders en met gerichte wet- en regelgeving. Het is nu aan het bestuur, landelijk en provinciaal, om de weg naar die doelen verder te concretiseren. Ook het optreden van Johan Remkes als voorzitter is bepalend geweest voor het functioneren van het adviescollege. We zijn met zijn allen echt in de materie gedoken en hebben zorgvuldige afwegingen gemaakt. Dat is misschien ook wel het meest bijzondere aan het advies: dat het zo breed gedragen is. Niks doen is geen optie meer, dat geldt voor alle betrokkenen.”

 

akkerrand

Bloemrijke akkerranden als leefgebied voor insecten.

Meer weten?

Niet alles kan overal’. Eindadvies over structurele aanpak van het Adviescollege Stikstofproblematiek verscheen in juni 2020. Het is te vinden op o.a. www.aanpakstikstof.nl.

Het adviescollege bestond uit:

De heer J.W. Remkes, voorzitter

De heer dr. J.J. van Dijk (vanaf 1 februari 2020)

De heer prof. dr. E. Dijkgraaf

Mevrouw mr. dr. A. Freriks

De heer drs. G.J. Gerbrandy

Mevrouw W.H. Maij MBA (t/m december 2019)

Mevrouw ir. A.G. Nijhof MBA

Mevrouw E. Post MMC

De heer prof. dr. ir. R. Rabbinge

De heer dr. M.C.Th. Scholten

Mevrouw prof. dr. L.E.M. Vet

Deel deze pagina