2009
moeras
Oppervlakte: 
5.501 ha
Afdelingen
Foto: Peter Veen

De Oostvaardersplassen zijn ontstaan bij de drooglegging van Zuidelijk-Flevoland in 1967. Er bleef een laag water staan in het toen laagste deel van de polder nabij de Oostvaardersdijk. Dit vormde het beginpunt van de ontwikkeling van een nieuw natuurgebied in ons land. Om met bioloog Frans Vera te spreken (1988): “Samen met de slikvlakte eromheen was dat de kiem van een onverwacht spontane en ongemeen uitbundige uitbarsting van planten- en dierenleven.” Er ontstond onbedoeld een natuurgebied van in eerste instantie 3.500 ha. Dat waren slikvlaktes en moerasgebied, later aangevuld met circa 2.500 ha. droger gebied, Dit resulteerde uiteindelijk in een gebied met een totale oppervlakte van 6.000 ha. In de nabije toekomst zal het gebied nog verder worden vergroot tot een totale oppervlakte van circa 14.000 ha.
De Oostvaardersplassen zijn in het verloop van ruim 40 jaren uitgegroeid tot één van de meest fameuze natuurgebieden in ons land mede dankzij de ervaringen die daar worden opgedaan met de grote grazers (runderen, paarden, herten), die daar met elkaar leven op een zo vrij mogelijke manier. Het gebied fungeerde als brongebied voor baardmannetjes in de jaren zeventig en tachtig. Zij kwamen in hoge dichtheden in het moeras tot broeden, en uitzwermende vogels stichtten in heel Noordwest-Europa nieuwe vestigingen. In de zomer werd het gebied belangrijk voor ruiende grauwe ganzen uit Noord- en Oost-Europa. Er vestigden zich grote aalscholver- en lepelaarkolonies. En als klap op de vuurpijl broedt de zeearend er vanaf 2006: het gebied is groot en rustig, en er is voldoende voedsel in de vorm van vis en kadavers. Allerlei spontane processen liggen ten grondslag aan deze ontwikkelingen. Deze natuurlijke ontwikkelingen zijn de basis voor het beheer van de Oostvaardersplassen. Baardmannetjes profiteerden van de uitgestrekte rietvelden met de miljoenen rietpluimen. De grauwe ganzen profiteerden van het vele riet in ondiep water. Aalscholvers vonden rijke viswateren in het IJsselmeer. D D De Oostvaardersplassen heeft de Natura 2000 status gekregen wegens de unieke combinatie van vogels die er voorkomen.

Natuurwaarden: 
Het gebied van de Oostvaardersplassen heeft in die 40 jaren een successie doorgemaakt van nat slikkengebied tot een grootschalig moerasgebied. Een grote invloed op de ontwikkelingsprocessen in de Oostvaardersplassen kregen de grauwe ganzen. Al in 1970 werden de eerste broedende grauwe ganzen in de Oostvaardersplassen aangetroffen, waarna de populatie uitgroeide naar enkele honderden paren. Tegelijkertijd ontwikkelde het gebied zich tot een internationaal belangrijke ruiplaats van tienduizenden grauwe ganzen. Door de ganzenvraat bleven de rietvegetaties zich verjongen. In dit dynamische landschap van rietvelden en waterplassen begon al snel een leefgebied voor tal van moerasvogels te ontstaan. Tegenwoordig herbergt het gebied een groot deel van de Nederlandse roerdompen en kleine zilverreigers, en de enige kolonie grote zilverreigers (in sommige jaren ruim 140 paren!). Ook soorten als bruine kiekendief, porseleinhoen, blauwborst en snor zijn er relatief goed vertegenwoordigd. De kolonies aalscholvers en lepelaars zijn bekend. Met de komst van de zeearend in 2006 is een toppredator in het gebied gekomen die bewijst dat het gebied en zijn omgeving grote kwaliteiten heeft door de aanwezigheid van kadavers. In de trektijd en winter bivakkeren er veel eenden die voor hun voedsel gebonden zijn aan het open water. Zij grondelen in het water om voedsel op de bodem te zoeken. Wintertalingen zijn in sommige jaren in tienduizenden aanwezig, maar soorten als wilde eend, slobeend, pijlstaart, krakeend en smient kunnen eveneens talrijk zijn. Duikeenden van het IJsselmeer gaan in de Oostvaardersplassen vaak rusten. Het gaat om soorten als nonnetje, kuifeend en tafeleend. Ook steltlopers als kluut, kievit, grutto en kemphaan verblijven tijdens de trek voor kortere of langere tijd in het gebied. Het aantal broedende weidevogels zoals kievit is niet hoog, maar het broedresultaat ligt op maar liefst 70 – 75 %. In 1979 is het natte (bekade) deel (3.600 ha) van de Oostvaardersplassen uitgebreid met een droger deel (2.400 ha). In dit deel werden later edelherten, konikpaarden en heckrunderen uitgezet met het doel om een grootschalig, jaarrond begrazingssysteem te ontwikkelen. Ook de vos wordt regelmatig waargenomen. De grootschalige begrazing heeft geresulteerd in een open graslandschap. Enerzijds is hierdoor het aantal aan struiken gebonden vogelsoorten afgenomen, terwijl anderzijds het gebied uitermate geschikt is geworden voor vogels als (overwinterende) ganzen, kieviten. Ook is het een prima jaag- en leefgebied voor roofvogels als de slechtvalk, de bruine kiekendief en de zeearend geworden.

Deel deze pagina