2009
Oppervlakte: 
ca. 700 ha
Afdelingen
Saxigraga, Jan van der Straaten

Twee gebeurtenissen hebben het natuurlijke karakter van de Biesbosch in de afgelopen 600 jaren sterk beïnvloed: de St.Elizabethsvloed in 1421 en de afsluiting van het Haringvliet in 1970. De vloed resulteerde in een nieuwe zeearm die vanuit de Noordzee liep tot aan Werkendam. Door afzetting van zand en klei onder invloed van de werking van rivier en zee schoof de uiterste oostgrens van die zeearm gedurende de 16e tot de 20e eeuw langzaam op naar het westen. Uiteindelijk bleef alleen het Hollands Diep over als een restant van de zeearm. Door de afsluiting van het Haringvliet in 1970 namen de verschillen tussen hoog- en laagwater af van ongeveer 2 meter tot niet meer dan 30 à 70 centimeter. De zandplaten en de gorzen kwamen boven water te liggen en raakten begroeid met wilgenbos. Er ontstond een eenvormiger landschap van doorgeschoten griend. De discussies over een half-open dam in het Haringvliet zijn van directe betekenis voor de toekomst van de Biesbosch, omdat hiermee het oude watersysteem deels kan worden hersteld. Prof.Ies Zonneveld, Biesbosch-expert bij uitstek, schreef hierover (2000): “In ieder geval zal onze generatie dat nageslacht een grote dienst bewijzen met een spoedige vergroting van de tijamplitudo en het herstel van een gezonde doorstroming van het rivierwater.”
Met de aanwijzing als Natura 2000 gebied wordt de Europese betekenis van de Biesbosch onderstreept. De Biesbosch bezit zes habitattypen en twaalf soorten uit de Habitat Richtlijn, die van Europese betekenis zijn. Daarnaast zijn er 29 belangrijke vogelsoorten die voor kortere of langere tijd bivakkeren in De Biesbosch.

Natuurwaarden: 
De dynamiek van het waterpeil heeft een grote invloed op de ontwikkeling van begroeiingen in De Biesbosch. Plantensoorten reageren scherp op verschillen in overstromingsfrequentie en overstromingsduur. De driekantige bies en de spindotterbloem zijn exponenten van dit milieu in De Biesbosch. De driekantige bies is afhankelijk van jonge, slikkige zandplaten. Zulke zandplaten ontstaan op plaatsen met een tamelijk intensief getij met voldoende sterke stroomsnelheden. De spindotter was voor 1970 een soort van regelmatig gesneden rietgorzen en greppels in grienden. Ook nu nog vindt men spindotters in getijdengrienden en op plaatsen waar riet wordt gesneden. De doorgeschoten grienden zijn te beschouwen als wilgenvloedbossen die na 1970 aan hun lot worden overgelaten. De grienden zijn verruigd; grote brandnetel en reuzenbalsemien voeren de boventoon. Ook blijkt dat de (geherintroduceerde) bever invloed heeft op dit proces. De bever heeft naast de wilg een duidelijke voorkeur voor hazelaar, vogelkers, es en zwarte els in zijn dieet. De bever en de noordse woelmuis behoren ook tot de doelsoorten van het Natura 2000 gebied. In de periode 1988-1992 zijn in totaal 42 bevers uitgezet in de Biesbosch, een gebied waar ze van oudsher voorkwamen voordat ze uitgeroeid werden. De bedoeling was dat de bevers door hun vraatgedrag de soortenrijkdom van de grienden zou vergroten. Thans leven er 200 tot 250 exemplaren in de Biesbosch en functioneert de Biesbosch als ‘leverancier’ van bevers voor andere, nabijgelegen gebieden. De perspectieven voor een gezonde beverbevolking zien er gunstig uit. De noordse woelmuis leeft in ontoegankelijke moerassen. De soort is gevoelig voor concurrentie van de veldmuis en aardmuis. Het is een prioritaire soort in de Europese Habitat Richtlijn wat inhoudt dat populaties van deze woelmuis een bijzondere bescherming behoeven. Binnen het aangewezen Natura 2000 gebied ligt een netwerk van wateren zoals de kreken in de Biesbosch zelf en delen van de Nieuwe Merwede, Amer en Bergsche Maas. Tijdens een bevissing van de wateren in 2007 werden 26 vissoorten vastgesteld waaronder typische riviervissen als zeeprik, rivierprik, elft, fint, zalm en rivierdonderpad. De rivieren vormen een migratieroute naar de bovenstroomse gebieden voor soorten als de spiering. Naast tal van andere vissoorten leven binnen het krekennetwerk grote en kleine modderkruiper en bittervoorn. De randen van de Biesbosch vormen in zuidelijk Nederland één van de weinige locaties waar de meerkikker voorkomt. De meervleermuis gebruikt de Biesbosch voor foerageervluchten. In de Biesbosch broedt een scala aan moerasvogels zoals aalscholver, roerdomp, bruine kiekendief, porseleinhoen, blauwborst, snor en rietzanger. In goede jaren nestelen er tientallen paartjes ijsvogels. Het aantal broedparen van de blauwborst is fors gestegen van nog geen 200 rond 1970 naar bijna 2.000 in de tweede helft van de jaren negentig. Veel soorten watervogels gebruiken de Biesbosch om te overnachten en/of te foerageren. De aantallen kolganzen, grauwe ganzen, smienten, wintertalingen, krakeenden en kuifeenden lopen regelmatig in de duizenden. De tientallen grote zilverreigers, lepelaars, kleine zwanen, nonnetjes en grote zaagbekken zijn eveneens vermeldenswaard. Iedere winter verblijven meerdere zeearenden in de Biesbosch, en in de trektijd hangen er steevast visarenden rond. Een visarend een vis uit het water te zien 'klauwen' is een onvergetelijke ervaring, die hier opgedaan kan worden.

Deel deze pagina