2009
veen
Oppervlakte: 
1.005 ha
Afdelingen
Foto: Herman Stevens

De Engbertsdijksvenen vormden van oorsprong één geheel met de venen van Vriezenveen en Bergentheim. Aan de noord- en westzijde reikten deze venen tot de dalen van Vecht en Regge. Aan de oostzijde liggen de Twentse stuwwallen van Geesteren en Tubbergen. Midden in dit veengebied ligt de enclave Sibculo op een hogere zandrug. Ongeveer 9.000 jaar geleden ving de veenvorming aan in afvoerloze laagten. In de eerste periode van veenvorming ontwikkelden zich broekbosveen en zeggenveen onder invloed van hoge grondwaterstanden. Later vormden zich uitgestrekte meren waarin de hoogveenvorming op gang kwam. Hoogveen bestaat uit afgestorven veenmossen die in lagen worden afgezet. Vanuit het klooster van Sibculo is het veen uiteindelijk in gebruik genomen door de mens. De namen Kloosterhaar en Paterswal herinneren aan deze periode. Vanuit het zuiden begon de ontginning door de bewoners van Vriezenveen. Inmiddels zijn de meeste venen in de periode 1850-1950 afgegraven, alleen de kern van de Engbertsdijksvenen kon worden gered. Het Natura 2000 gebied Engbertsdijksvenen omvat in totaal ongeveer 1.000 hectare.

Natuurwaarden: 
De Engbertsdijksvenen zijn in ons land van grote betekenis door aanwezige kern met levend hoogveen. Hoogveen ontstaat op die plaatsen waar het regenwater de belangrijkste factor is voor de groei van planten. Dit treedt op op die plaatsen waar de moerasbegroeiing in het water zo hoog is gegroeid dat de begroeiing alleen onder invloed van het voedselarme en vrij zure regenwater. Dat zijn de ideale plaatsen voor veenmossen. Er zijn veenmossen die vooral in het water groeien zoals het waterveenmos. En er zijn veenmossen die vooral boven het wateroppervlak in veenbulten groeien zoals het roodgekleurde hoogveenmos. Op deze bulten groeien daarnaast andere specifieke plantensoorten zoals lavendelheide, zonnedauw, eenarig wollegras, en kleine veenbes. In de veenslenken groeien weer andere soorten als witte snavelbies. Actieve hoogvenen zijn thans zeer zeldzaam in ons land en behoren ook tot de prioritaire habitattypen binnen de Natura 2000 gebieden. Ook de 15 ha. grote centrale kern in de Engbertsdijksvenen wordt gerekend tot dit prioritaire habitattype actief hoogveen. Door het creëren van voedselarme en permanent natte omstandigheden is het mogelijk om hoogveenvorming te laten plaatsvinden. In de Engbertsdijksvenen zijn waar mogelijk dijken aangelegd die het regenwater moeten vasthouden. In dit water start de hoogveenvorming met een begroeiing van vooral waterveenmos. In de Engbertsdijksvenen liggen veenbossen die ook tot een prioritair habitattype worden gerekend. Veenbossen liggen op de uitgeveende zandbodems in het zuidelijk deel van de Engbertsdijksvenen. Het mooiste voorbeeld bestaat uit kwijnende zachte berk, met veenmossen en eenarig wollegras. Bijzonder is hier de slangenwortel, die vanuit poelen steeds verder het bos in groeit. Op en rond de venen liggen droge tot vochtige heidebegroeiingen met struikheide, kraaiheide en dopheide. De veenplassen vormen een geschikte broedplaats voor geoorde fuut en dodaars, waarvan soms enkele tientallen paren geteld worden. Tijdens de winterperiode is er een grote slaapplaats van toendrarietganzen in het gebied (soms 10.000 ex.). Ook trekkende kraanvogels blijven af en toe in het gebied rusten, een voor ons land zeldzaam verschijnsel. In het gebied broeden ook enkele paren nachtzwaluwen, vele tientallen roodborsttapuiten en een enkel paapje. In de winter komen blauwe kiekendieven slapen in het veen en is het beeld van een klapekster op een eenzame den of berk karakteristiek. In de Engbertsdijksvenen leven heikikkers, waarvan de juvenielen regelmatig als prooi dienen voor jonge adders. Voor adders vormen de Engbertsdijksvenen een kerngebied. De levendbarende hagedis is er een algemene verschijning en incidenteel wordt de gladde slang er waargenomen. In de voedselarme vennetjes treffen we ook de poelkikker aan. In de paartijd zijn de felgroene mannetjes herkenbaar aan de gele zweem over de kop.

Deel deze pagina