Bijdrage: Marlène Vaessen en Peter van Dam in de Nieuwsbrief van augustus 2020

Naar de grote stille heide

 Op dit moment kunnen we van de heide genieten. Er zijn verschillende soorten heide, familie Ericaceae, waarvan de struikheide nu volop bloeit. Kijk eens naar een bloemetje dichtbij. Dan zie je dat de kelkblaadjes de paarse kleur geven en de kroonblaadjes meer naar binnen zitten en wat lichter zijn. Meestal is dat juist andersom, geven de kroonblaadjes de bloemen hun kleur. We bedoelen hier de struikheide, die van droge, zandige bodems houdt en goed tegen droogte kan. Hij kan zelfs niet goed tegen schaduw en daarom ook niet onder de andere struikjes verjongen. De heide wordt regelmatig geplagd om te verjongen of schapen zorgen voor een goed beheer. Als de plant 3 of 4 jaar oud is, gaat hij pas bloeien. De bloemen hebben veel nectar en stuifmeel, niet voor niets staan er dus zoveel bijenkassen aan de randen van de heide. Andere dieren zijn natuurlijk reptielen als de adder en hagedisjes, die graag tussen de heideplantjes door ritselen. Wil je de heide gaan bewonderen, denk dan eens aan Hattem, de Wezepsche Heide, Vilsteren en aan de Sallandse Heuvelrug, waar je door de hoogteverschillen prachtige paarse uitzichten zult gaan zien.

Op de lagere gedeeltes van de heide, waar het wat vochtiger is, vinden we gewone dopheide. De grootste bloei is zachtroze in juni, maar er zijn nu nog steeds volop bloempjes te vinden. Ten noorden van Zwolle vinden we op het Dwingelderveld het grootste natte heidegebied van Europa. Maar ook dichterbij kun je dit vinden.

Kraaiheide vinden we ook op sommige plekken tussen de andere soorten. Dit plantje heeft zijn zuidelijke grens over de Veluwe liggen. Hij bloeit in april/mei met roze bloempjes. We herkennen hem aan de kraaizwarte besjes, die graag door de kraaien worden gegeten. Wie veel in Scandinavië komt, kent hem daar ook vast van.

Lavendelheide is een zeer zeldzaam plantje, dat je nog bij hoogveentjes tussen het veenmos zou kunnen treffen.

Marlène Vaessen

 

Bladluizendoder - Pemphredon spec.

Een tijdje terug zag en fotografeerde ik voor het eerst een pottenbakkerswesp. Ik dacht hem later wel weer te herkennen. Toen ik het insect hiernaast op de foto zette, dacht ik dat het een pottenbakkerswesp was. Toch even de naam checken op Waarnemingen.nl. Het bleek een bladluizendoder te zijn. Eén van de 9 soorten in ons land. Alweer sloeg de verwondering toe: weer een voor mij nieuwe soort in eigen tuin: een stimulans om te blijven ontdekken! Wat een soorten, zo vlak naast de deur. De verschillen tussen de verschillende soorten zijn moeilijk te herkennen. Het verschil zit vaak in de vleugeladers. Ook de grootte van de soort is van belang en of hij wel of niet gebruik maakt van een insectenblok. Bij P. lugens wordt het mannetje 8 tot 10 mm groot en het vrouwtje 9 tot 12 mm. Het is misschien de grootste soort, die in insectenbloks huist. P. lugubris is net zo groot, maar die bewoont geheel eigen gangen.

In smalle gangen komt een aantal cellen achter elkaar te liggen. Brede gangen krijgen zijgangen. De cellen voor mannetjes zijn iets kleiner dan die voor vrouwtjes. De mannetjes komen uiteindelijk ook het eerst naar buiten. In elke cel komen enkele tientallen bladlui-zen, waarvan de meeste verlamd zijn. De bladluizendoder legt haar eitje meestal in het midden van een cel. Tussen de cellen komt een wandje van pulp of zaagsel. Op de grote foto wordt bouwmateriaal aangevoerd. Bladluizendoders zijn altijd druk beweeglijk. Als een larve volgroeid is, vindt geen totale verpopping plaats. Vaak wordt een dop gesponnen, die de kop beschermt. De ‘pop’ ligt op zijn rug te wachten tot het uitsluipen. Overwinteraars verpoppen pas na de winter.

Volwassen bladluizendoders drinken nectar of honingdauw. Ze zijn geheel zwart, maar er is soms een blauwe schijn. De kop is rond en er is een dunne steel tussen kop, borststuk en het achterlijf. Pemphredon Lugens werd in 1989 voor het eerst gezien in ons land, maar hij zit nu bijna overal. Na de tronkenbij staat hij als tweede op de lijst van insectenblokbewoners. Hij is er van mei tot in september in twee generaties. Niet de ouders zijn de ware bladluizendoders. Ze nemen alle tijd voor het eten van de voorraad. De bladluizendoders staan op het menu van parasieten: de brons- en de goudwesp.

Peter van Dam

 

Lepelaar - Platalea leucorodia

Nederland is voor de lepelaar altijd een bolwerk geweest. Uit opgravingen is gebleken dat ze hier al 1000 jaar voor de jaartelling leefden. Het is deze vogel echter niet altijd voor de wind gegaan. Waterverontreiniging en drooglegging zorgden voor een enorme teruggang. Lepelaarnesten werden bereikbaar voor predatoren als bruine rat, bunzing en vos. Ook de grote kolonies van het Naardermeer en het Zwanenwater moesten het ontgelden. De lepelaars verdwenen er. Het dieptepunt van de lepelaars was slechts 160 broedparen in 1968. Sinds 1990 gaat het weer beter met deze vogels. Ze vestigden zich op de Waddeneilanden, maar ook elders. Daar krijgen de kwelderbroeders helaas steeds vaker te maken met hoog water. Spectaculair is de groei van de kolonie van De Auken. In 2003 werden de eerste 3 broed-paren geteld. Onderzoek met behulp van een drone heeft aangetoond dat de kolonie is gegroeid naar 261 bezette nesten. Alleen al in 2020 een groei van 51 broedparen.

Het uiterlijk van de lepelaar doet exotisch aan. De platte, lepelvormige snavel, de fraaie volle kuif, de geeloranje borstband en de manier van foerageren trekken ieders aandacht. De snavel van een volwassen lepelaar is pikzwart met een gele vlek op de voorsnavel. De snavel van jonge lepelaars is vleeskleurig en zij hebben zwarte vleugelpunten. Vliegende lepelaars herken je aan hun omlaag gebogen hals. Ze nestelen op de grond, maar steeds meer ook in bomen en struiken. Samen met andere soorten vogels vormen lepelaars gemengde kolonies. In Europa heeft alleen De Auken heeft zo’n gevarieerde soortensamenstelling grote waadvogels.

Lepelaars produceren elk jaar 1 legsel met 4 eieren. Op de eieren worden ongeveer 25 dagen gebroed. Ze komen vrijwel gelijktijdig uit. Na een week of 7 zijn de jongen vliegvlug. Meestal overleven maar 1 en soms 2 jongen deze periode. De lepelaar rent door ondiep water en beweegt zijn geopen-de snavel heen en weer onder het wateroppervlak. Met die supergevoelige snavel vangt hij stekelbaarsjes, nimfen van libellen, garnalen, jonge platvissen, enz. Regelmatig gooit de vogel een gevangen prooi op en vangt hem weer. Jonge lepelaars rennen luidkeels roepend achter hun ouders en zeuren om voedsel. Ook steken ze hun lange snavel in die van een ouder, tot die voedsel opbraakt.

Na het broedseizoen zoeken lepelaars elkaar op en vormen groepen van meer dan 100 vogels. Ze trekken met veel tussenstops naar het zuiden. Ze vliegen telkens een paar honderd kilometer en tanken daarna bij. De jonge vogels keren pas na 3 tot 5 jaar terug, als ze volwassen zijn. Met een groeiend aantal broedvogels keren er nu jaarlijks meer vogels terug uit het zuiden. Inmiddels zijn in ons land ongeveer 50 lepelaarkolonies. Ongeveer de helft van de weggetrokken lepelaars overleeft de reis niet. Bij grote droogte in Spanje moeten ze langere afstanden doorvliegen. Jagers, hoogspanningsdraden, windmolens en uitputting eisen hun tol. Eén van de allereerste soortbeschermingsplannen is geschreven voor de lepelaar. Er werden sloten aangelegd en stekelbaarspassages om de voedselsituatie voor de vogel te verbeteren.

Vanuit de nu ruim 3500 broedparen veroveren ‘onze’ lepelaars inmiddels Spanje, Frankrijk, België, Duitsland, Denemarken en Engeland. Hoezo succes! De lepelaar heeft 3 ondersoorten. ‘Onze’ lepelaar is de Atlantische ondersoort.

Peter van Dam

 

 

Bijdragen van Peter van Dam in de Nieuwsbrief van juni 2020

Franse veldwesp - Polistes dominula

Rond de jaren 80 van de vorige eeuw was de Franse veldwesp zeldzaam en op slechts enkele plekken te vinden in het zuiden van Limburg. Waarschijnlijk door de opwarming van de aarde is dit insect bezig met een opmars naar het noorden. Nog maar enkele jaren zien we hem ook in stadstuinen. Een exoot? Nee, want het dier komt geheel uit zichzelf naar ons toe. Elke diersoort ‘wil’ zijn leefgebied uitbreiden. Dat heet dispersie.

Hoewel de Franse veldwesp veel op de gewone wesp lijkt, zijn er veel verschillen in uiterlijk en gedrag. Ter geruststelling: de Franse veldwesp is geen limonadewesp die vanaf augustus lastig is als we in de tuin zitten. Veldwespen zijn insectenvangers, die geen belangstelling hebben voor zoetigheid. Bij ons in de tuin ving hij de rupsjes van de stippelmot.

Weetjes

De Franse veldwesp is kleiner en veel slanker dan de gewone wesp. Hij heeft oranje antennes en een oranje gloed over de vleugels. Hij vliegt met hangende poten, die grotendeels ook oranje zijn. De mannetjes hebben groene ogen en een knik in de sprieten. De ogen van de vrouwtjes zijn zwart. Net als de gewone wesp leeft de Franse veldwesp in staten. Alleen koninginnen overwinteren. In het voorjaar bouwen koninginnen uit het vorige jaar samen een nieuw nest. Pas na verloop van tijd wordt bepaald wie de leider van het volk wordt.

Het volk van de Franse veldwesp bestaat uit ongeveer 100 wespen. Het nest van de veldwesp heeft maar één raat cellen. Het zit met een dunne steel vast aan een ondergrond. Dat kan de stengel van een plant zijn, maar ook het ‘dak’ in een stenen nis. Het nest heeft geen omhulsel zoals bij gewone wespen. Soms hangen meer nesten vlak naast elkaar en lijkt het een kolonie. De Franse veldwesp is geen vervelende steker, maar het is natuurlijk wel vervelend als hij steekt. Net als hommels steekt dit insect alleen als hij ‘in gevaar’ is. Deze wespen drinken graag water bij een tuinvijver.

Waarom heet dit insect eigenlijk Franse veldwesp? In het verre verleden heette hij Polistes gallicus. Gallicus komt van Gallië, de streek in Frankijk waar Asterix en Obelix woonden. Aan het einde van de 18de eeuw vond men die naam beter voor een andere soort veldwesp. Het woord Franse herinnert nog aan de oude naam van de veldwesp die bij ons op bezoek komt.

Ooievaar - Ciconia ciconia

Peter van Dam

We hebben lang naar ze uitgekeken: de ooievaars. In 1976 was het laatste wilde broedpaar bij Kampen in Grafhorst. Vogelbescherming Nederland startte Ooievaarsdorp Het Liesvelt en veel buitenstations, waarvan De Wijk misschien wel het meest succesvol is. De terugkeer van ooievaars uit hun wintergebieden werd elk jaar gevierd in de pers. Met de komst van de ooievaar werd de lente ingeluid. Inmiddels is de ooievaar terug van weggeweest.

Weetjes

Het voedsel van de ooievaar bestaat uit grote wormen, insecten, mollen en muizen. Grotere prooien zijn niet vastgesteld. Toch vindt zelfs een groep vogelaars de ooievaars al een plaag, want zij zouden een gevaar betekenen voor jonge weidevogels.

Maar weinig soorten vogels in Nederland worden zo op de voet gevolgd. Noch uit braakballenonderzoek, noch uit het onderzoek van veel maaginhouden, noch uit de duizenden opnames van webcams is vastgesteld dat ooievaars jonge weidevogels eten! Een plaag? Onzin! Bovendien is de achteruitgang van weidevogels niet begonnen na de terugkeer van de ooievaar. Hoe kan het dat het aantal ooievaars zelfs toeneemt waar geen weidevogels meer zijn? Laten we van de ooievaar genieten als imposante vogel die in onze natuur hoort. Het klepperen van ooievaars is belangrijk voor de onderlinge band van ooievaars. Ooievaars klepperen ook als een vreemde soortgenoot te dichtbij komt. Het klepperen is dan dreigen en verdedigen. Soms komt het tot een gevecht.

Na het broedseizoen verzamelen veel ooievaars voor hun gezamenlijke trek naar het zuiden. Vanuit Nederland wordt een westelijke route gevolgd, richting Gibraltar. Oostelijke ooievaars trekken via de laars van Italië of de Bosporus. De ooievaar heeft z’n plek weer ingenomen in onze natuur. Tegenwoordig zie je op veel plekken weer ooievaars achter landbouwvoertuigen lopen om op opgeschrikte prooidieren te jagen.

Ooievaars vliegen op de thermiek. Ze zweven van de ene thermiekbel naar de volgende. Een aantal ooievaars blijft ’s winters hier. De eerste ooievaar die dat deed, werd bijgevoerd in Grafhorst. Onlangs zijn in Twente bij De Lutte ooievaars op nest doodgeschoten. Je kunt alleen maar raden waarom. Goede voorlichting over ooievaars blijkt dus nodig!

Groene schildwants - Palomena prasina

Peter van Dam

 

 De groene schildwants wordt ook schildwants, groene wants en groene stinkwants genoemd. Het insect beschikt over allerlei middelen om zich te beschermen tegen insecteneters. Alle voor dit dier bedachte namen laten daar wat van zien. Al die mogelijkheden tot bescherming zorgen samen, dat het diertje minder voorzichtig is geworden. Je kunt hem op veel plekken zien. De groene schildwants verstopt zich nauwelijks.

Weetjes

Op de rug van de groene schildwants is een deel zichtbaar in de vorm van een driehoek. Dit is het schild, dat veel andere wantsen ook hebben. Het is een onderdeel van het stevige ‘pantser’ van wantsen. Onder de schildrand, vlak bij de achterpoten heeft de schildwants een klier, die een smerig ruikend goedje kan verspreiden. Ook de nimfen kunnen dat. De geur schrikt dieren af en het spul is niet afwasbaar! Ook de kleur groen maakt onderdeel uit van de verdediging. Die kleur verschijnt in het voorjaar, als overal bomen en struiken groen kleuren. Groene schildwantsen overwinteren als volwassen insect. Daarom verandert de kleur in het najaar van groen naar bruin. Zo kan de wants een onopvallend plekje zoeken in een boomscheur.

Merels vinden de groene schildwants gemakkelijk. Jonge merels hakken hem stuk voor het opeten. Ervaren merels pakken hem en slikken hem in een keer door. Ze proberen alle het contact te vermijden met dat stinkende goedje. Het vrouwtje van de groene schildwants legt ongeveer 100 eitjes in pakketjes van 25 tot 30 op hazelaar, roos, distel, brandnetel en els. In Turkije veroorzaakt dit insect schade op hazelnoten. Wantsen zuigen energie uit bramen en ander fruit. Mannetjes en vrouwtjes vinden elkaar, omdat ze geluidloze trillingen doorgeven via het hout van een tak. Tussen beide geslachten zijn zelfs tijdens de paring geen verschillen te zien. Na elke vervelling lijken de nimfen meer op een volwassen wants. Niet alleen de merel eet groene schildwantsen. Ze worden ook gegeten door roofwantsen en inwendig door maden van parasitaire vliegen.

 xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

 

 

Allerlei:

Terugblik Vervolgcursus Vogels Kijken rond Zwolle - Peter van Dam

In 2016 was het na drie jaren Basiscursus Vogels Kijken rond Zwolle de hoogste tijd voor een vervolg. Ruim vijfentwintig cursisten van de basiscursussen 2 en 3 vulden de beide cursusavonden en vijf excursies. Als excursiedoelen werden vogelgebieden bezocht, waarbij een enorme soortenrijkdom mocht worden verwacht: Texel, Zuidlaardermeer, Zwilbroek, Groninger Waddenkust en Fochteloërveen / Diependal. Inderdaad zagen we veel soorten vogels, in totaal 127 soorten. Toevallig vrijwel hetzelfde aantal als in de tien excursies samen van de laatste basiscursus in 2015. Bijzondere soorten waren o.a. de rode wouw en de griel. Wij, het begeleidend team dat bestond uit Hennie Bruggeman, Henk Selhorst, Dirk Maas en ondergetekende, hebben zelf ook veel genoten. Vandaar het besluit om in 2017 maar weer met een basiscursus te beginnen. Hierover later meer.

Terugblik Insectencursus voorjaar 2016 - Alfred van der Burgh

Met 23 deelnemers gingen we op vrijdagavond 22 april van start met een algemene inleiding over insecten door ondergetekende.

De volgende ochtend op pad in het Westerveldse Bos. Deze formule van een theorie-les gevolgd door een excursie hebben we nog 4x herhaald. Daarbij doken we steeds een beetje meer in de wereld van de zespoters: Vliegen (Ruben Winter), Waterinsecten (Hans Hop), Libellen (Ruben Winter) en Sprinkhanen (Wim Bakker).

Tijdens de laatste excursie gingen we in de Vreugderijkerwaard op zoek naar het zeldzame Locomotiefje, op 2 plaatsen bekend in NL! Na enkele uren zoeken zouden we ons bijna onverrichter zake naar de koffie begeven toen het Locomotiefje zich alsnog liet horen en zien!!!

Een betere afsluiting van een insectencursus kun je je nauwelijks wensen . . .

Deze cursus was bewust opgezet voor zowel IVN-ers als KNNV-ers. Veel cursisten hebben genoten van de veelzijdigheid en de diepgang: “Er is voor mij een hele nieuwe wereld opengegaan!”. Toch waren er ook geluiden dat de kennislat hoog lag.

Ondanks dát blijkt uit de evaluatie dat vrijwel iedereen veel heeft geleerd in een prettige sfeer.

Binnenkort gaan we met alle reacties van de deelnemers aan de slag voor een eventuele vervolgcursus, wordt vervolgd . . .

Alfred van der Burgh

Coördinator Insectenwerkgroep KNNV/IVN

 

Excursie Vlieland - Peter van Dam

In september jl. was Vlieland het reisdoel van ons jaarlijks Waddenweekend, traditioneel georganiseerd door Ans en Henk Selhorst. De weersverwachtingen waren prima en velen stonden in een bijzonder goede stemming op de kade van Harlingen te wachten op de boot.

Opmerkelijk was het grote aantal deelnemers van de vogelcursus die in de afgelopen drie kalenderjaren door de KNNV werd georganiseerd. In de hoop natuurlijk om wederom een aantal ‘nieuwe soorten’ toe te voegen aan de inmiddels indrukwekkende soortenlijsten. Maar, zo leert de ervaring, mooi weer op een Waddenweekend gaat vaak samen met mindere aantallen vogels. Trekkende zangvogels vliegen dan vaak zo hoog dat ze niet worden opgemerkt en zeetrekkers vliegen ver uit de kust. 

Al snel vormden zich groepjes natuurliefhebbers met een geheel eigen doel. Velen wilden toch zoveel mogelijk soorten vogels scoren. Anderen zochten vooral paddenstoelen of maakten een heerlijke wandel- of fietstocht.

In de vroege ochtend, nog voor het ontbijt, trok steevast een aantal deelnemers naar de duinen om te speuren naar jagers, roofmeeuwen, en jan van genten en duikers. Er viel niet veel te zien, maar de omstandigheden waren prima en het wachten in de duinen was geen straf. Toen een zeehond het strand op hobbelde, veerde iedereen even op.

De Kroonpolders vormen een ideale plek om vogels te spotten. Richting oosten uitgebreide slikvlaktes met duizenden steltlopers en eenden. Richting westen een aantal plasjes met o.a. lepelaars. Er was zelfs een rode lepelaar, een ontsnapte exoot.

Grote opwinding: om de zoveel tijd passeerde hier een juveniele steppenkiekendief. Voor velen een nieuwe soort. De vogel vloog langzaam voorbij, de bodem afzoekend naar mogelijke prooien. Het belangrijkste kenmerk van zo’n juveniel (een passant had het over een juventiel) is de gele halsring, door vogelaars de boa genoemd, die duidelijk zichtbaar was. Eenmaal waargenomen, zal een volgende steppenkiek eerder worden herkend.

Op zaterdag bereikte ons het bericht, dat vlakbij de Kroonspolders een kleine klapekster zou zijn gezien. De waarnemer had een fotootje geplaatst, waarop door ‘kenners’ in den lande die waarneming direct werd afgedaan als verkeerd. Het zou geen kleine klapekster betreffen, maar een gewone. Wij hebben de vogel niet gevonden.

Op zondag zijn we weer gaan zoeken en dit keer hadden we meer geluk. De vogel liet zich van zeer nabij bekijken en … het bleek overduidelijk wel een kleine klapekster te zijn. De soort is minder dan dertig keer in ons land vastgesteld. De ‘kenners’ hadden de waarneming dus niet serieus genoeg genomen en de bijgeleverde foto slecht bekeken. Het was ook op die foto moeilijker om er een gewone klapekster in te zien dan die kleine variant. Voor de meeste weekenders was dit absoluut een nieuwe soort!

Zoals elk waddenweekend ging ook deze keer de tijd te snel. We hadden in ieder geval genoeg waarnemingen om tijdens de vaartocht over na te praten. Volgend jaar weer? Ans en Henk bedankt voor de prima organisatie.

Peter van Dam

Fotoalbum Vlieland

 

 

Deel deze pagina